Vindplaatsen van het woord jood in de apocriefe geschriften (6 verzen):

Bel en de draak (Dan. 14) 1:27
En het geschiedde, als de BabyloniŽrs zulks hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht.

2 MakkabeeŽn 6:6
En men mocht geen sabbatten vieren, noch de feestdagen der vaderen onderhouden, noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen.

2 MakkabeeŽn 9:17
En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.

2 MakkabeeŽn 14:38
Want in de voorgaande tijden werd bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid.

3 MakkabeeŽn 1:4
Maar DositheŁs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.

3 MakkabeeŽn 3:22
Voorts elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht. En zodanig was de inhoud en schrift van deze brief.