Vindplaatsen van het woord josafat in het oude testament (76 verzen):

2 SamuŽl 8:16
Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.

2 SamuŽl 20:24
En Adoram was over de schatting; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;

1 Koningen 4:3
Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.

1 Koningen 15:24
En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.

1 Koningen 22:2
Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot den koning van IsraŽl afgekomen was,

1 Koningen 22:4
Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van IsraŽl: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

1 Koningen 22:5
Verder zeide Josafat tot den koning van IsraŽl: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.

1 Koningen 22:7
Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij het van hem vragen mochten?

1 Koningen 22:8
Toen zeide de koning van IsraŽl tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning zegge niet alzo!

1 Koningen 22:10
De koning van IsraŽl nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

1 Koningen 22:18
Toen zeide de koning van IsraŽl tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaads profeteren?

1 Koningen 22:29
Alzo toog de koning van IsraŽl en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

1 Koningen 22:30
En de koning van IsraŽl zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van IsraŽl, en kwam in den strijd.

1 Koningen 22:32
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Gewisselijk, die is de koning van IsraŽl, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat riep uit.

1 Koningen 22:41
Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van IsraŽl.

1 Koningen 22:42
Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, de dochter van Silchi.

1 Koningen 22:45
En Josafat maakte vrede met den koning van IsraŽl.

1 Koningen 22:46
Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

1 Koningen 22:49
En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber.

1 Koningen 22:50
Toen zeide Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet.

1 Koningen 22:51
En Josafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

1 Koningen 22:52
Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over IsraŽl te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over IsraŽl.

2 Koningen 1:17
Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den zoon van Josafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.

2 Koningen 3:1
Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over IsraŽl te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.

2 Koningen 3:7
En hij ging heen, en zond tot Josafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

2 Koningen 3:11
En Josafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van IsraŽl, en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot.

2 Koningen 3:12
En Josafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van IsraŽl, en Josafat, en de koning van Edom.

2 Koningen 3:14
En Elisa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!

2 Koningen 8:16
In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van IsraŽl, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, den koning van Juda, te regeren.

2 Koningen 9:2
Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.

2 Koningen 9:14
Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans IsraŽl, uit oorzake van HazaŽl, den koning van SyriŽ;

2 Koningen 12:18
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot HazaŽl, den koning van SyriŽ; toen trok hij op van Jeruzalem.

1 Kronieken 3:10
Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;

1 Kronieken 11:43
Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

1 Kronieken 15:24
En Sebanja, en Josafat, en Nethaneel, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en EliŽzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-edom en Jehia waren poortiers der ark.

1 Kronieken 18:15
Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;

2 Kronieken 17:1
En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen IsraŽl.

2 Kronieken 17:3
En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Bašls niet.

2 Kronieken 17:5
En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.

2 Kronieken 17:10
En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat.

2 Kronieken 17:11
En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.

2 Kronieken 17:12
Alzo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.

2 Kronieken 18:1
Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.

2 Kronieken 18:3
Want Achab, de koning van IsraŽl, zeide tot Josafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.

2 Kronieken 18:4
Verder zeide Josafat tot den koning van IsraŽl: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.

2 Kronieken 18:6
Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij van hem vragen mochten?

2 Kronieken 18:7
Toen zeide de koning van IsraŽl tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: de koning zegge niet alzo.

2 Kronieken 18:9
De koning van IsraŽl nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

2 Kronieken 18:17
Toen zeide de koning van IsraŽl tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?

2 Kronieken 18:28
Alzo toog de koning van IsraŽl, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

2 Kronieken 18:29
En de koning van IsraŽl zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van IsraŽl, en zij kwamen in den strijd.

2 Kronieken 18:31
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van IsraŽl; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.

2 Kronieken 19:1
En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.

2 Kronieken 19:2
En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.

2 Kronieken 19:4
Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van EfraÔm toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.

2 Kronieken 19:8
Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van IsraŽl, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.

2 Kronieken 20:1
Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en het hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.

2 Kronieken 20:2
Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit SyriŽ; en zie, zij zijn te Hazezon-thamar, hetwelk is Engedi.

2 Kronieken 20:3
Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.

2 Kronieken 20:5
En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.

2 Kronieken 20:15
En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.

2 Kronieken 20:18
Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.

2 Kronieken 20:20
En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.

2 Kronieken 20:25
Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.

2 Kronieken 20:27
Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.

2 Kronieken 20:30
Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.

2 Kronieken 20:31
Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, een dochter van Silhi.

2 Kronieken 20:34
Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van IsraŽl.

2 Kronieken 20:35
Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van IsraŽl; die handelde goddelooslijk in zijn doen.

2 Kronieken 20:37
Maar EliŽzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.

2 Kronieken 21:1
Daarna ontsliep Josafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2 Kronieken 21:2
En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en MichaŽl, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van IsraŽl.

2 Kronieken 21:12
Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elia, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;

2 Kronieken 22:9
Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die den HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.

JoŽl 3:2
Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel IsraŽl, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;

JoŽl 3:12
De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.