Vindplaatsen van het woord jerobeam in het oude testament (90 verzen):

1 Koningen 11:26
Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.

1 Koningen 11:28
En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.

1 Koningen 11:29
Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;

1 Koningen 11:31
En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God IsraŽls: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.

1 Koningen 11:40
Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.

1 Koningen 12:2
Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),

1 Koningen 12:3
Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van IsraŽl kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:

1 Koningen 12:12
Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

1 Koningen 12:15
Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.

1 Koningen 12:20
En het geschiedde, als gans IsraŽl hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans IsraŽl koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.

1 Koningen 12:25
Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van EfraÔm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde PenuŽl.

1 Koningen 12:26
En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.

1 Koningen 12:32
En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.

1 Koningen 13:1
En ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des HEEREN tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken.

1 Koningen 13:4
Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.

1 Koningen 13:33
Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.

1 Koningen 13:34
En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.

1 Koningen 14:1
Te dierzelfder tijd was Abia, de zoon van Jerobeam, krank.

1 Koningen 14:2
En Jerobeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.

1 Koningen 14:6
En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.

1 Koningen 14:7
Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God IsraŽls: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een voorganger over Mijn volk IsraŽl gesteld heb;

1 Koningen 14:10
Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in IsraŽl; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.

1 Koningen 14:11
Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.

1 Koningen 14:13
En gans IsraŽl zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God IsraŽls, in het huis van Jerobeam gevonden is.

1 Koningen 14:14
Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over IsraŽl, die het huis van Jerobeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?

1 Koningen 14:19
Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van IsraŽl.

1 Koningen 14:20
De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

1 Koningen 14:30
En er was krijg tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al hun dagen.

1 Koningen 15:1
In het achttiende jaar nu van den koning Jerobeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.

1 Koningen 15:6
En er was krijg geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen zijns levens.

1 Koningen 15:7
Het overige nu der geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abiam en tussen Jerobeam.

1 Koningen 15:9
In het twintigste jaar van Jerobeam, den koning van IsraŽl, werd Asa koning over Juda.

1 Koningen 15:25
Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over IsraŽl, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over IsraŽl.

1 Koningen 15:29
Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den Siloniet;

1 Koningen 15:30
Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die IsraŽl zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God IsraŽls, getergd had.

1 Koningen 15:34
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmede hij IsraŽl had doen zondigen.

1 Koningen 16:2
Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk IsraŽl gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk IsraŽl hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;

1 Koningen 16:3
Zie, zo zal Ik de nakomelingen van BaŽsa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat.

1 Koningen 16:7
Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen BaŽsa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.

1 Koningen 16:19
Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende IsraŽl zondigen.

1 Koningen 16:26
En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij IsraŽl had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God IsraŽls, tot toorn, door hun ijdelheden.

1 Koningen 16:31
En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, den koning der SidoniŽrs, en heenging, en diende Bašl, en boog zich voor hem.

1 Koningen 21:22
En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en gelijk het huis van BaŽsa, den zoon van Ahia; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, en dat gij IsraŽl hebt doen zondigen.

1 Koningen 22:53
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in den weg van zijn vader, en in den weg van zijn moeder, en in den weg van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 3:3
Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die IsraŽl deed zondigen; hij week daarvan niet af.

2 Koningen 9:9
Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en als het huis van BaŽsa, den zoon van Ahia.

2 Koningen 10:29
Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-el en die te Dan waren.

2 Koningen 10:31
Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van IsraŽl, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 13:2
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed; hij week daarvan niet af.

2 Koningen 13:6
Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die IsraŽl zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)

2 Koningen 13:11
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed, maar hij wandelde daarin.

2 Koningen 13:13
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van IsraŽl.

2 Koningen 14:16
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en werd te Samaria begraven bij de koningen van IsraŽl; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 14:23
In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van IsraŽl, en regeerde een en veertig jaren.

2 Koningen 14:24
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 14:27
En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van IsraŽl van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, den zoon van Joas.

2 Koningen 14:28
Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damaskus en Hamath, tot Juda behorende, aan IsraŽl wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van IsraŽl?

2 Koningen 14:29
En Jerobeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van IsraŽl; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 15:1
In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van IsraŽl, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.

2 Koningen 15:8
In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over IsraŽl te Samaria, zes maanden.

2 Koningen 15:9
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:18
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:24
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:28
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 17:21
Want Hij scheurde IsraŽl van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef IsraŽl af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.

2 Koningen 17:22
Alzo wandelden de kinderen IsraŽls in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;

2 Koningen 23:15
Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke IsraŽl zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.

1 Kronieken 5:17
Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van IsraŽl.

2 Kronieken 9:29
Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, der eerste en der laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, den profeet, en in de profetie van Ahia, den Siloniet, en in de gezichten van Jedi, den ziener, aangaande Jerobeam, den zoon van Nebat?

2 Kronieken 10:2
Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dat hoorde (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den koning Salomo gevloden was), dat Jerobeam uit Egypte wederkeerde;

2 Kronieken 10:3
Want zij zonden henen, en lieten hem roepen; zo kwam Jerobeam met het ganse IsraŽl, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende:

2 Kronieken 10:12
Zo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

2 Kronieken 10:15
Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat de HEERE Zijn woord bevestigde, hetwelk Hij door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.

2 Kronieken 11:4
Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jerobeam te trekken.

2 Kronieken 11:14
Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.

2 Kronieken 12:15
De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen?

2 Kronieken 13:1
In het achttiende jaar van den koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.

2 Kronieken 13:2
Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter van UriŽl, van Gibea; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.

2 Kronieken 13:3
En Abia bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.

2 Kronieken 13:4
En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraim, dewelke is in het gebergte van EfraÔm; en hij zeide: Hoort mij toe, Jerobeam, en gans IsraŽl!

2 Kronieken 13:6
Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, den zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.

2 Kronieken 13:8
En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, hetwelk in de hand is der zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft.

2 Kronieken 13:13
Maar Jerobeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen.

2 Kronieken 13:15
En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het ganse IsraŽl sloeg voor Abia en Juda.

2 Kronieken 13:19
En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.

2 Kronieken 13:20
En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.

Hosea 1:1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van BeŽri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van IsraŽl.

Amos 1:1
De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, dewelke hij gezien heeft over IsraŽl, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van IsraŽl; twee jaren voor de aardbeving.

Amos 7:10
Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, den koning van IsraŽl, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis IsraŽls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.

Amos 7:11
Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en IsraŽl zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.