Vindplaatsen van het woord jizreŽliet in het oude testament (8 verzen):

1 Koningen 21:1
Het geschiedde nu na deze dingen, alzo Naboth, een JizreŽliet, een wijngaard had, die te JizreŽl was, bij het paleis van Achab, den koning van Samaria.

1 Koningen 21:4
Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de JizreŽliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven. En hij leide zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.

1 Koningen 21:6
En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den JizreŽliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.

1 Koningen 21:7
Toen zeide Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over IsraŽl regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u den wijngaard van Naboth, den JizreŽliet, geven.

1 Koningen 21:15
Het geschiedde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard van Naboth, den JizreŽliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.

1 Koningen 21:16
En het geschiedde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard van Naboth, den JizreŽliet, af te gaan, om dien erfelijk te bezitten.

2 Koningen 9:21
Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van IsraŽl, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den JizreŽliet.

2 Koningen 9:25
Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den JizreŽliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last opleide, zeggende: