Vindplaatsen van het woord jahaziel in het oude testament (6 verzen):

1 Kronieken 12:4
En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

1 Kronieken 16:6
Maar Benaja en Jahaziel, de priesters, steeds met trompetten voor de ark des verbonds van God.

1 Kronieken 23:19
Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.

1 Kronieken 24:23
En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.

2 Kronieken 20:14
Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op Jahaziel, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jehiel, den zoon van Matthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;

Ezra 8:5
Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.