Vindplaatsen van het woord joha in het oude testament (3 verzen):

1 Kronieken 8:16
En MichaŽl, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.

1 Kronieken 11:45
Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;

2 Kronieken 34:8
In het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maaseja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.