Vindplaatsen van het woord kleven in het oude testament (6 verzen):

Deuteronomium 13:17
Ook zal er niets van het verbannene aan uw hand kleven, opdat de HEERE Zich wende van de hitte Zijns toorns, en u geve barmhartigheid, en Zich uwer erbarme, en u vermenigvuldige, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft;

Job 41:8
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

Job 41:14
De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

Jeremia 13:11
Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb Ik het ganse huis IsraŽls en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.

EzechiŽl 3:26
En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een wederspannig huis.

EzechiŽl 29:4
Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.