Vindplaatsen van het woord kwaad in de apocriefe geschriften (73 verzen):

3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:44
En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:47
En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.

4 Ezra 1:8
Doch schud gij het haar uws hoofds af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen.

4 Ezra 1:34
Uw kinderen zullen niet vruchtbaar zijn, want zij hebben mijn gebod niet geacht, en hebben kwaad voor mij gedaan.

4 Ezra 2:3
Met vreugde heb ik u opgevoed, en ik heb u met rouw en droefheid verloren: want gij hebt gezondigd voor de Here uw God, en hebt kwaad voor hem gedaan.

4 Ezra 4:33
En ik antwoordde en zeide: Hoe en wanneer zal dit geschieden? waarom zijn onze jaren weinig en kwaad?

4 Ezra 6:27
Want het kwaad zal uitgeroeid en het bedrog zal uitgeblust worden.

4 Ezra 7:12
En de ingangen dezer wereld zijn eng geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet.

4 Ezra 14:15
Want het kwaad, dat gij hebt zien geschieden, zullen zij nog erger maken dan dit.

4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.

Tobias (Tobit) 12:8
Want het is goed dat men de verborgenheid eens konings bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men de werken Gods openbaart. Doet goed, en het kwaad zal ulieden niet vinden.

Judith 2:2
En hij riep al zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.

Boek der Wijsheid 4:12
Want de betovering der boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is.

Boek der Wijsheid 14:27
Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.

Boek der Wijsheid 14:30
Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.

Boek der Wijsheid 16:8
En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.

Boek der Wijsheid 18:19
Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.

Jezus Sirach 7:1
DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.

Jezus Sirach 7:20
Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.

Jezus Sirach 11:25
Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

Jezus Sirach 11:28
Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.

Jezus Sirach 12:5
Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.

Jezus Sirach 13:29
De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.

Jezus Sirach 14:5
Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.

Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.

Jezus Sirach 18:7
Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?

Jezus Sirach 18:11
Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.

Jezus Sirach 19:25
Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.

Jezus Sirach 19:26
En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd vindt.

Jezus Sirach 27:28
Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt.

Jezus Sirach 31:10
Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?

Jezus Sirach 31:14
Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is.

Jezus Sirach 33:1
HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder daaruit verlossen.

Jezus Sirach 38:20
Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.

Jezus Sirach 39:5
Het land van vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd.

Jezus Sirach 39:31
Alle deze gelijk ze de godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.

Baruch 1:22
Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.

Baruch 2:7
Al wat de Here over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.

Baruch 4:18
Doch die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand uwer vijanden.

Baruch 4:29
Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing.

Baruch 4:31
Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val.

Baruch 6:33
En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af zetten.

Baruch 6:48
Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.

Baruch 6:49
Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad kunnen ver lossen?

Esther (apocr.) 14:19
Verhoor de stem der verlatenen, gij sterke God boven allen, en verlos ons van de hand dergenen die kwaad aanrichten, en verlos mij uit mijn vrees.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:44
En laat beschaamd worden allen die uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.

Gebed van Manasse 1:10
Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik uw toorn verwekt, en kwaad voor uw ogen gedaan heb; dewijl ik uw wil niet heb gedaan, en uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.

1 MakkabeeŽn 1:56
En velen van het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land;

1 MakkabeeŽn 2:30
Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.

1 MakkabeeŽn 5:50
Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal ulieden enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.

1 MakkabeeŽn 6:12
Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien.

1 MakkabeeŽn 6:18
Toen nu degenen die op de burcht waren, de IsraŽlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;

1 MakkabeeŽn 7:15
En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.

1 MakkabeeŽn 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 MakkabeeŽn 9:71
En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.

1 MakkabeeŽn 10:5
Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.

1 MakkabeeŽn 10:46
Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in IsraŽl gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

1 MakkabeeŽn 15:19
Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.

1 MakkabeeŽn 16:17
En beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed.

2 MakkabeeŽn 1:25
Gij die alleen milddadig zijt, alleen rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, gij die IsraŽl behoudt van alle kwaad, gij die onze vaderen hebt gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd;

2 MakkabeeŽn 3:32
En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven ware, heeft voor des mans gezondheid offerande gedaan.

2 MakkabeeŽn 3:39
Want hij, die de hemelse woonstede heeft, is de opziener en helper van die plaats, en hij slaat en verderft die daar komen om kwaad te doen.

2 MakkabeeŽn 4:1
De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter ware geweest van al dit kwaad.

2 MakkabeeŽn 4:34
Waarom MenelaŁs, hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.

2 MakkabeeŽn 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van CiliciŽ, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.

2 MakkabeeŽn 7:31
Maar gij, koning die een vinder zijt van alle kwaad tegen de HebreeŽn, zult de handen Gods niet ontvlieden.

2 MakkabeeŽn 9:4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.

2 MakkabeeŽn 12:4
En als zij, volgens het algemeen besluit der stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd.

2 MakkabeeŽn 13:4
Maar de Koning der koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, gelijk het gebruikelijk was in die plaats.

2 MakkabeeŽn 13:6
Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anderszins enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.

2 MakkabeeŽn 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

3 MakkabeeŽn 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.