Vindplaatsen van het woord kedar in het oude testament (9 verzen):

Genesis 25:13
En dit zijn de namen der zonen van IsmaŽl, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van IsmaŽl, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

1 Kronieken 1:29
Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van IsmaŽl was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

Hooglied 1:5
Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

Jesaja 21:16
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan.

Jesaja 42:11
Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.

Jesaja 60:7
Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken.

Jeremia 2:10
Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?

Jeremia 49:28
Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt de HEERE alzo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.

EzechiŽl 27:21
ArabiŽ en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.