Vindplaatsen van het woord kahath in het oude testament (15 verzen):

Numeri 3:17
Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.

Numeri 3:19
En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en UzziŽl.

Numeri 3:27
En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der UzziŽlieten; dit zijn de geslachten der Kohathieten.

Jozua 21:5
En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van EfraÔm, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.

Jozua 21:20
De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van EfraÔm.

Jozua 21:26
Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.

1 Kronieken 6:1
De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

1 Kronieken 6:2
De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en UzziŽl.

1 Kronieken 6:16
Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

1 Kronieken 6:18
En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en UzziŽl.

1 Kronieken 6:22
De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

1 Kronieken 6:38
Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van IsraŽl.

1 Kronieken 6:61
Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.

1 Kronieken 6:66
Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van EfraÔm.

1 Kronieken 6:70
En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden: