Vindplaatsen van het woord klieft in het oude testament (7 verzen):

Leviticus 11:3
Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeŽn klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.

Leviticus 11:7
Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeŽn, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.

Leviticus 11:26
Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeŽn klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.

Job 26:12
Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

Prediker 10:9
Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

Jesaja 51:15
Want Ik ben de HEERE, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

Jeremia 31:35
Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam: