Vindplaatsen van het woord koning in de apocriefe geschriften (408 verzen):

3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in IsraŽl bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;

3 Ezra 1:5
Naar het voorschrift Davids; de koning IsraŽls, en naar de heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling der oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen IsraŽls dienen.

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 1:21
En geen koning IsraŽls heeft zodanig Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel IsraŽl, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.

3 Ezra 1:25
En na al deze daden van Josia, is het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.

3 Ezra 1:26
En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?

3 Ezra 1:29
Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia.

3 Ezra 1:30
En de koning zeide tot zijn knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieŽntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:35
En hij was koning in IsraŽl en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.

3 Ezra 1:37
En de koning van Egypte stelde zijn broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;

3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:40
Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar BabyloniŽ.

3 Ezra 1:43
En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;

3 Ezra 1:46
En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;

3 Ezra 1:48
En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van IsraŽl.

3 Ezra 2:2
Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:

3 Ezra 2:3
Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here IsraŽls, de allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt over de gehele aarde;

3 Ezra 2:10
En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.

3 Ezra 2:11
En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;

3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van PerziŽ, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te SamariŽ en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

3 Ezra 2:17
De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-SyriŽ en FeniciŽ zijn;

3 Ezra 2:18
Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.

3 Ezra 2:21
Maar de Heer koning zulks te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek gedaan worde.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-SyriŽ en FeniciŽ.

3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in SamariŽ en SyriŽ en FeniciŽ woonden, hetgeen volgt:

3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

3 Ezra 2:31
En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van PerziŽ.

3 Ezra 3:1
EN Darius, koning zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van MediŽ en PerziŽ;

3 Ezra 3:3
En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.

3 Ezra 3:5
Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven.

3 Ezra 3:9
En zeide, wanneer de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten van PerziŽ zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden, gelijk geschreven is.

3 Ezra 3:11
De andere: De koning is de sterkste.

3 Ezra 3:13
En als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las het.

3 Ezra 3:22
Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.

3 Ezra 4:3
De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.

3 Ezra 4:5
Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.

3 Ezra 4:6
En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de een dwingt de ander om de koning schatting toe te brengen, daar die maar ťťn alleen is.

3 Ezra 4:12
O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

3 Ezra 4:14
O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.

3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

3 Ezra 4:28
En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken?

3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

3 Ezra 4:33
Toen zagen de koning en de groten op elkander. En hij, begon te spreken van de waarheid.

3 Ezra 4:37
De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.

3 Ezra 4:42
Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden.

3 Ezra 4:43
Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 4:47
Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.

3 Ezra 4:58
En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:

3 Ezra 5:6
Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de eerste maand.

3 Ezra 5:7
Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in BabyloniŽ weggevoerd had.

3 Ezra 5:55
En karren aan de SidoniŽrs en TyriŽrs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van PerziŽ, hun was aangeschreven.

3 Ezra 5:60
Zingende en lovende de Here, naar de instelling van David, de koning van IsraŽl.

3 Ezra 5:69
Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van AssyriŽ af, die ons hier heeft overgebracht.

3 Ezra 5:72
Maar wij zullen alleen voor de Here IsraŽls bouwen, volgens hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft bevolen.

3 Ezra 6:7
Sisinnes, de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in SyriŽ en FeniciŽ oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.

3 Ezra 6:8
Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,

3 Ezra 6:14
En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning IsraŽls, en is voltooid.

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here IsraŽls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der ChaldeeŽn,

3 Ezra 6:17
Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van BabyloniŽ regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:21
Nu dan, indien het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van Cyrus;

3 Ezra 6:22
En indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo antwoordde bij ons daarvan.

3 Ezra 6:23
Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van MediŽ is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;

3 Ezra 6:24
In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou door gedurig vuur.

3 Ezra 6:25
Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis Cyrus de koning.

3 Ezra 6:31
Opdat drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.

3 Ezra 6:32
Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden zal, of teniet doen iets van hetgeen aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn.

3 Ezra 6:33
Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.

3 Ezra 6:34
Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden.

3 Ezra 7:1
TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;

3 Ezra 7:15
Omdat Hij de raad van de koning der AssyriŽrs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, de God IsraŽls.

3 Ezra 8:1
EN na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,

3 Ezra 8:4
En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.

3 Ezra 8:9
Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:

3 Ezra 8:10
De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.

3 Ezra 8:20
En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van SyriŽ en FeniciŽ zijn gesteld,

3 Ezra 8:29
En die mij heeft geŽerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.

3 Ezra 8:52
Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenpartijders.

3 Ezra 8:53
Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.

3 Ezra 8:56
En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het ganse IsraŽl gegeven hadden.

4 Ezra 1:3
De zoon van Ašron, uit de stam van Levi: welke Ezra een gevangene geweest is in het land der Meden, onder het koninkrijk van Artaxerxes, de koning der Perzen.

4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der AssyriŽrs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.

4 Ezra 15:16
Want daar zal ongestadigheid zijn in de mensen, en de een zal de ander overweldigen, en zullen naar hun koning niet vragen, en de vorsten zullen de weg van hun handelingen naar hun geweld afmeten.

Tobias (Tobit) 1:2
Die gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der AssyriŽrs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.

Tobias (Tobit) 1:17
En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 1:22
En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van AnaŽl, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 13:5
En zult hem danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid loven, en zult de Koning der eeuwigheid verheffen.

Tobias (Tobit) 13:8
Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels loven, en zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen.

Tobias (Tobit) 13:11
Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd worden;

Tobias (Tobit) 13:13
Vele volken zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle geslachten na elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.

Tobias (Tobit) 13:17
Mijn ziel love God, de grote Koning.

Judith 1:6
En de koning Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen is aan de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning der ElymeŽrs, en zeer vele volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.

Judith 1:7
En Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, zond tot allen die in PerziŽ woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die in CiliciŽ en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeŽntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.

Judith 2:4
En het geschiedde, als hij zijn raadslag geŽindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, Holofernes, de veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanašns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.

Judith 5:10
En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.

Judith 9:16
Ja, ja, gij God mijns vaders, gij God van het erfdeel IsraŽls, gij Here des hemels en der aarde, gij schepper der wateren, gij Koning van al uw schepselen,

Judith 11:1
EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning der ganse aarde, heeft begeerd te dienen.

Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.

Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.

Boek der Wijsheid 3:8
Zij zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid over hen regeren.

Boek der Wijsheid 6:24
Maar de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks welstand.

Boek der Wijsheid 7:5
Want geen koning heeft een ander begin gehad zijner geboorte.

Boek der Wijsheid 9:7
Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.

Boek der Wijsheid 11:11
Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.

Boek der Wijsheid 12:14
Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.

Boek der Wijsheid 18:11
En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gemene man moest met de koning hetzelfde lijden.

Jezus Sirach 7:4
Begeer van de Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.

Jezus Sirach 7:5
Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.

Jezus Sirach 10:3
Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.

Jezus Sirach 10:11
De medicijnmeester houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning, en morgen zal hij sterven.

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 38:2
Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geŽerd.

Jezus Sirach 46:22
En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.

Jezus Sirach 48:26
In zijn dagen ging de zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning het leven.

Jezus Sirach 50:16
Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles.

Jezus Sirach 51:1
<<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.

Jezus Sirach 51:7
Uit de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.

Baruch 1:3
En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;

Baruch 1:8
Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.

Baruch 1:9
Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel gebracht had.

Baruch 1:11
En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.

Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

Baruch 2:21
Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder om de koning van BabyloniŽ te dienen, zo zult gij blijven zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven heb.

Baruch 2:22
En indien gij de stem des Heren niet zult horen, om de koning van BabyloniŽ te dienen,

Baruch 2:24
Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van BabyloniŽ te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen zouden gebracht worden uit hun plaats.

Baruch 6:1
OM der zonden wil waarmee gij gezondigd hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning der BabyloniŽrs, naar Babel gevankelijk weggevoerd worden.

Baruch 6:17
En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.

Baruch 6:33
En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af zetten.

Baruch 6:52
Want zij kunnen geen koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.

Baruch 6:55
Zij wederstaan noch koning, noch vijanden, hoe kan men dan achten of aannemen, dat zij goden zijn?

Baruch 6:58
Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.

Esther (apocr.) 10:6
De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft.

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van JaÔr, de zoon van SimeÔ, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 11:3
En was een uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom:

Esther (apocr.) 12:1
EN Mordechai rust in het hof met Gabatha en Tharra, de twee kamerlingen van de koning, die het hof bewaarden;

Esther (apocr.) 12:2
En hoorde hun samenspraak, en lette op hun bekommering, en vernam dat zij zich bereidden om de handen te slaan aan Artaxerxes, de koning, en waarschuwde de koning voor hen.

Esther (apocr.) 12:3
En de koning deed onderzoek over zijn twee kamerlingen, en nadat zij het bekend hadden, werden zij opgehangen.

Esther (apocr.) 12:4
En de koning schreef deze dingen in zijn gedenkboek, en Mordechai schreef ook van deze dingen.

Esther (apocr.) 12:5
En de koning beval dat Mordechai aan zijn hof zou dienen en gaf hem hierover geschenken.

Esther (apocr.) 12:6
Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning.

Esther (apocr.) 13:1
DE grote koning Artaxerxes van IndiŽ tot aan Morenland, schrijft dit aan de oversten der honderdenzevenentwintig provinciŽn, en aan de landvoogden die hun onderworpen zijn:

Esther (apocr.) 13:8
Doch Mordechai bad de Here, gedenkende aan al de werken des Heren, en zeide: Here, Here, gij almogende Koning, want het is alles in uw macht;

Esther (apocr.) 13:16
En nu, Here God, gij Koning en God van Abraham, spaar uw volk, overmits zij ons aanzien om ons te verderven, en begerig zijn om uw erve uit te roeien, die gij van den beginne verkoren hebt;

Esther (apocr.) 14:4
Here, gij zijt alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan u, en mijn gevaar is voor de hand.

Esther (apocr.) 14:10
En om de mond der heidenen te openen, tot verheffing van de deugden der ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid.

Esther (apocr.) 14:12
Gedenk aan ons Here, en maak u bekend in de tijd onzer verdrukking, en sterk mij, o Koning aller volken, en heerser over alle vorsten.

Esther (apocr.) 14:17
Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

Esther (apocr.) 15:6
En als zij al de deuren ingegaan was, stond zij stil voor de koning, daar hij was gezeten op zijn koninklijke stoel, en bekleed was met al de kleding zijner heerlijkheid, geheel in het goud en kostelijke gesteenten, en was zeer verschrikkelijk.

Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.

Esther (apocr.) 15:14
En de koning werd beroerd, en al zijn dienaren troostten haar.

Esther (apocr.) 16:1
DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de landschappen, die van IndiŽ tot aan Morenland zijn, mitsgaders degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet!

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:32
En hebt ons overgegeven in de handen der goddeloze vijanden, en der allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de gehele wereld.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:1
En de koning Astyages werd vergaderd tot zijn vaderen, en Cyrus uit PerziŽ nam zijn koninkrijk over, en DaniŽl was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden des konings.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:3
En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, doch DaniŽl aanbad God. En de koning zeide tot hem: Waarom bidt gij Bel niet aan?

Bel en de draak (Dan. 14) 1:5
En de koning sprak tot hem: Dunkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet gij niet hoe veel hij dagelijks eet?

Bel en de draak (Dan. 14) 1:6
Maar DaniŽl lachte en zeide: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:7
En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zeide tot hen: Indien gijlieden mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult gij sterven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:8
Maar indien gijlieden bewijzen zult, dat Bel deze dingen opeet, zo zal DaniŽl sterven, want hij heeft tegen Bel gelasterd; en DaniŽl zeide tot de koning: Het geschiede naar uw woord.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:9
En de priesters van Bel waren zeventig, zonder de vrouwen en kinderen en de koning ging met DaniŽl in het huis van Bel.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:10
De priesters zeiden: Zie, wij gaan henen uit; en gij heer koning, zet zelf de spijze daar, en stel de drank daar, nadat hij ingeschonken is, en sluit de deur toe, en verzegel die, met uw ring;

Bel en de draak (Dan. 14) 1:13
En het geschiedde als zij uitgegaan waren, zo zette de koning de spijzen voor Bel, en DaniŽl beval zijn dienaren, dat zij as zouden brengen en bestrooide de gehele tempel in de tegenwoordigheid van de koning; en uitgaande sloten zij de deur toe, en verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:15
En de koning was des morgens zeer vroeg op, en DaniŽl met hem;

Bel en de draak (Dan. 14) 1:16
En de koning zeide: DaniŽl, zijn de zegels nog geheel? en hij zeide: Ja heer koning, zij zijn geheel.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:17
En het geschiedde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luider stem uitriep: Bel gij zijt groot, en geen bedrog is bij u.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:18
En DaniŽl lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnen gaan zou, en zeide: Zie op de vloer, en merk op wiens deze voetstappen zijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:19
En de koning zeide: Ik zie de voetstappen van mannen, en van vrouwen, en van kinderen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:20
En de koning werd toornig, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf DaniŽl de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:23
En de koning zeide tot DaniŽl: Zegt gij ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, gij kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:25
Maar gij, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zeide: Ja, ik geef u verlof.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:27
En het geschiedde, als de BabyloniŽrs zulks hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:28
En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons DaniŽl over; anders zullen wij u doden en uw huis.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:29
En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun DaniŽl over te geven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over DaniŽl, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet DaniŽl zat daar.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:40
En de koning riep met luider stem en zeide: Gij zijt groot, o Here, God van DaniŽl, en daar is niemand dan gij, en trok hem er weder uit,

1 MakkabeeŽn 1:1
En het geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de MacedoniŽr, die uit het land Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had;

1 MakkabeeŽn 1:8
En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.

1 MakkabeeŽn 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.

1 MakkabeeŽn 1:14
En sommigen van het volk waren volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen te plegen.

1 MakkabeeŽn 1:17
En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.

1 MakkabeeŽn 1:19
En hij stelde de krijg aan tegen PtolomeŁs, de koning van Egypte; en PtolomeŁs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.

1 MakkabeeŽn 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.

1 MakkabeeŽn 1:44
En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot ťťn volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.

1 MakkabeeŽn 1:47
En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;

1 MakkabeeŽn 3:26
Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.

1 MakkabeeŽn 3:27
En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig, en zond heen en vergaderde al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.

1 MakkabeeŽn 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van AntiochiŽ, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.

1 MakkabeeŽn 3:39
En zond met hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning.

1 MakkabeeŽn 4:27
En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat IsraŽl niet was overkomen wat hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.

1 MakkabeeŽn 6:1
En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in ElimaÔs, in PerziŽ, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;

1 MakkabeeŽn 6:2
En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van MacedoniŽ, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;

1 MakkabeeŽn 6:8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.

1 MakkabeeŽn 6:15
En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.

1 MakkabeeŽn 6:16
En de koning Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste jaar.

1 MakkabeeŽn 6:17
En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.

1 MakkabeeŽn 6:21
En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit IsraŽl voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:

1 MakkabeeŽn 6:28
En de koning werd toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde al zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.

1 MakkabeeŽn 6:33
En de koning stond op, des morgens vroeg, en verplaatste het leger; het in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij de trompetten.

1 MakkabeeŽn 6:43
En Eleazar Aušran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;

1 MakkabeeŽn 6:48
En die van des konings leger waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.

1 MakkabeeŽn 6:50
En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.

1 MakkabeeŽn 6:55
Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,

1 MakkabeeŽn 6:57
Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.

1 MakkabeeŽn 6:60
Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.

1 MakkabeeŽn 6:61
En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;

1 MakkabeeŽn 6:62
En de koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 7:6
En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.

1 MakkabeeŽn 7:8
En de koning verkoos Bacchides, een vriend des konings, die regeerde aan gene zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw.

1 MakkabeeŽn 7:20
En hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides trok heen naar de koning.

1 MakkabeeŽn 7:25
En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.

1 MakkabeeŽn 7:26
En de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, die IsraŽl haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.

1 MakkabeeŽn 7:33
En na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enigen van de priesters uit het heiligdom, en enigen van de ouderlingen des volks, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.

1 MakkabeeŽn 7:41
Eertijds als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.

1 MakkabeeŽn 8:6
En onder dezen Antiochus de Grote, koning van AziŽ, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.

1 MakkabeeŽn 8:8
En te geven het land van IndiŽ, en MediŽ, en LydiŽ, en andere van hun schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.

1 MakkabeeŽn 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 MakkabeeŽn 9:57
En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

1 MakkabeeŽn 10:1
En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in PtolomaÔs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 10:2
En de koning Demetrius dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.

1 MakkabeeŽn 10:8
En zij vreesden met grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.

1 MakkabeeŽn 10:15
En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

1 MakkabeeŽn 10:18
De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.

1 MakkabeeŽn 10:25
En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:37
En uit dezen zullen ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.

1 MakkabeeŽn 10:44
En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken des heiligdoms zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning.

1 MakkabeeŽn 10:48
En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.

1 MakkabeeŽn 10:51
En Alexander zond aan PtolomeŁs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:

1 MakkabeeŽn 10:55
En de koning PtolomeŁs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.

1 MakkabeeŽn 10:58
En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in PtolomaÔs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.

1 MakkabeeŽn 10:59
En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.

1 MakkabeeŽn 10:61
En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen uit IsraŽl, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.

1 MakkabeeŽn 10:62
Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;

1 MakkabeeŽn 10:65
En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.

1 MakkabeeŽn 10:88
En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

1 MakkabeeŽn 11:1
De koning van Egypte vergaderde veel krijgsvolk, gelijk daar is het zand aan de oever der zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.

1 MakkabeeŽn 11:2
En hij trok in SyriŽ met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.

1 MakkabeeŽn 11:5
En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg,

1 MakkabeeŽn 11:6
En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.

1 MakkabeeŽn 11:7
En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 11:8
De koning PtolomeŁs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot SeleuciŽ toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.

1 MakkabeeŽn 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.

1 MakkabeeŽn 11:14
En de koning Alexander was op die tijd in CiliciŽ, omdat de inwoners dezer plaats afvielen.

1 MakkabeeŽn 11:16
En Alexander vlood naar ArabiŽ, opdat hij daar mocht beschermd zijn. Doch de koning PtolomeŁs werd verhoogd.

1 MakkabeeŽn 11:18
En de koning PtolomeŁs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.

1 MakkabeeŽn 11:19
En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar.

1 MakkabeeŽn 11:21
En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.

1 MakkabeeŽn 11:24
En hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke klederen, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te PtolomaÔs, en hij vond genade bij hem.

1 MakkabeeŽn 11:26
Doch de koning deed hem, gelijk hem gedaan hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid van al zijn vrienden.

1 MakkabeeŽn 11:28
En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken, en het land van SamariŽ vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.

1 MakkabeeŽn 11:29
En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud:

1 MakkabeeŽn 11:30
De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 11:33
Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het land van SamariŽ gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.

1 MakkabeeŽn 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 MakkabeeŽn 11:40
En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen IsraŽl.

1 MakkabeeŽn 11:43
En Jonathan zond hem naar AntiochiŽ drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.

1 MakkabeeŽn 11:44
En die van de stad vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.

1 MakkabeeŽn 11:45
En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen der stad in, en begonnen hem te bestrijden.

1 MakkabeeŽn 11:46
En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.

1 MakkabeeŽn 11:47
En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning.

1 MakkabeeŽn 11:48
En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking,

1 MakkabeeŽn 11:50
En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem, hebbende grote buit.

1 MakkabeeŽn 11:51
En de koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.

1 MakkabeeŽn 11:53
En na deze is Tryfon wedergekeerd, en Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke hoed op.

1 MakkabeeŽn 12:7
Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door AreŁs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld bewijst,

1 MakkabeeŽn 12:20
AreŁs, de koning der Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed.

1 MakkabeeŽn 12:39
En Tryfon zocht in AziŽ als koning te regeren, en een koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.

1 MakkabeeŽn 13:31
En Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, en doodde hem.

1 MakkabeeŽn 13:32
En regeerde als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van AziŽ, en bracht een grote plaag over het land.

1 MakkabeeŽn 13:34
En Simon verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest.

1 MakkabeeŽn 13:35
En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:

1 MakkabeeŽn 13:36
De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend der koningen, en de ouderlingen, en het ganse Joodse volk, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 14:1
In het honderdtweeŽnzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar MediŽ, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.

1 MakkabeeŽn 14:2
Als Arsaces, de koning van PerziŽ en MediŽ, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.

1 MakkabeeŽn 14:38
En de koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles;

1 MakkabeeŽn 15:1
En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het volk;

1 MakkabeeŽn 15:2
En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 15:8
En al wat gij de koning schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.

1 MakkabeeŽn 15:11
En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.

1 MakkabeeŽn 15:16
Lucius, burgemeester der Romeinen, wenst aan koning PtolomeŁs voorspoed.

1 MakkabeeŽn 15:22
Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;

1 MakkabeeŽn 15:25
En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.

1 MakkabeeŽn 15:36
En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.

1 MakkabeeŽn 15:38
En de koning stelde CendebeŁs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet en te paard.

1 MakkabeeŽn 15:39
En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.

1 MakkabeeŽn 15:41
En schikte daarin ruiters en krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.

1 MakkabeeŽn 16:18
PtolomeŁs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 1:10
In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning PtolomeŁs, zijnde uit het geslacht der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.

2 MakkabeeŽn 1:11
Uit grote gevaren door God verlost zijnde, danken wij hem grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.

2 MakkabeeŽn 1:20
En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia, gezonden door de koning van PerziŽ, de nakomelingen der priesters, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water,

2 MakkabeeŽn 1:24
En het gebed geschiedde op deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen koning zijt, en goedertieren.

2 MakkabeeŽn 1:33
En als dit openbaar werd, en de koning van PerziŽ geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;

2 MakkabeeŽn 1:34
En de koning voor goed kennende deze zaak, heeft die plaats omheind en heilig gemaakt.

2 MakkabeeŽn 3:3
Zodat ook Seleucus, koning van AziŽ uit zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst der offeranden.

2 MakkabeeŽn 3:6
En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning.

2 MakkabeeŽn 3:7
Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.

2 MakkabeeŽn 3:13
Doch Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat dit geld immers in des konings schatkamer moest gebracht worden.

2 MakkabeeŽn 3:32
En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven ware, heeft voor des mans gezondheid offerande gedaan.

2 MakkabeeŽn 3:35
En Heliodorus, als hij God offerande had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok het leger weder naar de koning;

2 MakkabeeŽn 3:37
En als de koning Heliodorus vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zeide hij:

2 MakkabeeŽn 4:4
Onias, bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius raasde, als zijnde overste van Celo-SyriŽ en FeniciŽ, en die de boosheid van Simon vermeerderde, is hij getrokken naar de koning.

2 MakkabeeŽn 4:8
En om dat te verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit een ander inkomen.

2 MakkabeeŽn 4:10
Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had, zo heeft hij terstond zijn volk gebracht tot de wijze der Grieken;

2 MakkabeeŽn 4:18
Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was.

2 MakkabeeŽn 4:21
En als Apollonius, de zoon van MenestheŁs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde, voorts gereisd is naar Jeruzalem.

2 MakkabeeŽn 4:23
En na de tijd van drie jaren zond Jason MenelaŁs, des voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen, en om hen in gedachtenis te brengen enige noodwendige zaken.

2 MakkabeeŽn 4:24
Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason.

2 MakkabeeŽn 4:27
En MenelaŁs heeft wel het opperste gezag verkregen, maar hij stelde gans geen orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste.

2 MakkabeeŽn 4:28
Want hij was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,

2 MakkabeeŽn 4:31
Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren.

2 MakkabeeŽn 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van CiliciŽ, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.

2 MakkabeeŽn 4:44
En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.

2 MakkabeeŽn 4:45
En MenelaŁs, nu verlaten zijnde, beloofde veel geld aan PtolomeŁs, de zoon van DorymeŁs, opdat hij de koning zou overreden.

2 MakkabeeŽn 4:46
PtolomeŁs dan hetzelve ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,

2 MakkabeeŽn 5:8
Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van ArabiŽ, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.

2 MakkabeeŽn 5:11
De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.

2 MakkabeeŽn 5:18
Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze terstond, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest zijn.

2 MakkabeeŽn 6:1
En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen, en niet zouden wandelen naar de wetten van God.

2 MakkabeeŽn 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 MakkabeeŽn 7:1
Het gebeurde ook dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, hetwelk ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.

2 MakkabeeŽn 7:3
En de koning zeer gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou maken; en als die terstond heet gemaakt waren,

2 MakkabeeŽn 7:5
Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig te sterven;

2 MakkabeeŽn 7:9
En als hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens weder opwekken.

2 MakkabeeŽn 7:12
Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.

2 MakkabeeŽn 7:15
Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zeide tot hem:

2 MakkabeeŽn 7:25
En daar de jongeling geenszins daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot zijn behoudenis.

2 MakkabeeŽn 7:31
Maar gij, koning die een vinder zijt van alle kwaad tegen de HebreeŽn, zult de handen Gods niet ontvlieden.

2 MakkabeeŽn 7:39
En de koning zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze veel kwalijker bejegend dan de anderen.

2 MakkabeeŽn 8:10
Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.

2 MakkabeeŽn 9:19
De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren.

2 MakkabeeŽn 9:25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciŽn reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.

2 MakkabeeŽn 11:14
En verzekerde hun, dat hij op alle billijke voorwaarden met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken hun vriend te worden.

2 MakkabeeŽn 11:15
MakkabeŁs nu, zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat MakkabeŁs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.

2 MakkabeeŽn 11:18
Zo heb ik dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft.

2 MakkabeeŽn 11:22
En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.

2 MakkabeeŽn 11:27
En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.

2 MakkabeeŽn 11:36
Doch aangaande hetgeen hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt terstond iemand die daarover mag handelen, opdat wij mogen verklaring doen van hetgeen u dienstig is. Want wij trekken naar AntiochiŽ.

2 MakkabeeŽn 12:1
En als deze verbonden aldus gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen.

2 MakkabeeŽn 13:4
Maar de Koning der koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, gelijk het gebruikelijk was in die plaats.

2 MakkabeeŽn 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

2 MakkabeeŽn 13:13
En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.

2 MakkabeeŽn 13:18
De koning nu, een proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.

2 MakkabeeŽn 13:22
De koning hield ten tweeden male overleg met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen hebbende, vertrok.

2 MakkabeeŽn 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.

2 MakkabeeŽn 14:8
Eerstelijk omdat ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen, waarvan tevoren gesproken is, lijdt ons ganse geslacht geen kleine zwarigheid.

2 MakkabeeŽn 14:9
Daarom gij, o koning, dit alles verstaan hebbende, wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw bekende goedertierenheid, die gij allen bewijst.

2 MakkabeeŽn 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

2 MakkabeeŽn 14:27
De koning zeer toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men MakkabeŁs terstond gevangen zou zenden naar AntochiŽ.

2 MakkabeeŽn 14:29
En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.

2 MakkabeeŽn 15:22
En als hij bad, sprak hij deze woorden: Gij, o Here, hebt uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man.

3 MakkabeeŽn 1:1
Als de koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;

3 MakkabeeŽn 1:13
En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien dat geschied is, zeide de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?

3 MakkabeeŽn 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.

3 MakkabeeŽn 1:21
Het gemene volk nu was intussen, gelijk tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hovaardig gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden.

3 MakkabeeŽn 1:23
Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.

3 MakkabeeŽn 2:2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.

3 MakkabeeŽn 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.

3 MakkabeeŽn 2:11
Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.

3 MakkabeeŽn 2:12
En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats, die op de aarde uw heerlijke naam toegeŽigend is, smaadheid aan te doen.

3 MakkabeeŽn 2:23
Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.

3 MakkabeeŽn 3:4
Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal ruchtbaar, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.

3 MakkabeeŽn 3:8
Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief:

3 MakkabeeŽn 3:9
De koning PtolomeŁs Filopator wenst alle stadhouders en krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.

3 MakkabeeŽn 4:9
Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

3 MakkabeeŽn 4:10
Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.

3 MakkabeeŽn 4:13
Intussen was de koning grotelijks en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was verre van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet betamen.

3 MakkabeeŽn 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

3 MakkabeeŽn 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.

3 MakkabeeŽn 5:5
En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen te geven.

3 MakkabeeŽn 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.

3 MakkabeeŽn 5:9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.

3 MakkabeeŽn 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 MakkabeeŽn 5:14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.

3 MakkabeeŽn 5:17
De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings voornemen nu gereed was.

3 MakkabeeŽn 5:19
Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig voornemen, bereid.

3 MakkabeeŽn 5:23
En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden.

3 MakkabeeŽn 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.

3 MakkabeeŽn 5:25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;

3 MakkabeeŽn 5:27
Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,

3 MakkabeeŽn 5:30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.

3 MakkabeeŽn 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!

3 MakkabeeŽn 6:4
Gij hebt de machtige koning van AssyriŽ, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.

3 MakkabeeŽn 6:15
Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan het renperk.

3 MakkabeeŽn 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.

3 MakkabeeŽn 6:26
En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren.

3 MakkabeeŽn 6:27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.

3 MakkabeeŽn 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.

3 MakkabeeŽn 6:34
Daarna gingen zij tot de koning en verzochten verlof om naar huis te gaan.

3 MakkabeeŽn 6:35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost heeft.

3 MakkabeeŽn 6:36
Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;

3 MakkabeeŽn 6:37
Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:

3 MakkabeeŽn 7:1
De koning PtolomeŁs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.

3 MakkabeeŽn 7:8
Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf.

3 MakkabeeŽn 7:11
Toen hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de gehele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.