Vindplaatsen van het woord kwam in de apocriefe geschriften (127 verzen):

3 Ezra 1:25
En na al deze daden van Josia, is het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.

3 Ezra 5:47
En toen nu de zevende maand kwam, en de kinderen IsraŽls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.

3 Ezra 6:3
In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen:

3 Ezra 8:9
Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:

3 Ezra 9:38
En de gehele menigte kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is voor de heilige poort tegen het oosten.

4 Ezra 2:33
Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Here op de berg Oreb, dat ik tot IsraŽl gaan zou. Doch toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel des Heren.

4 Ezra 4:16
En de aanslag van het bos werd ijdel, want, het vuur kwam en verteerde het.

4 Ezra 5:16
En het is geschied in de tweede nacht, dat SalathiŽl, de overste des volks, bij mij kwam en zeide tot mij:

4 Ezra 6:44
Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van velerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en welriekende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.

4 Ezra 10:29
En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij.

4 Ezra 11:10
En ik zag, en ziet, de stem kwam niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

4 Ezra 11:13
En het geschiedde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden.

4 Ezra 14:2
En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zeide: Ezra, Ezra! En ik zeide: Zie hier ben ik Here, en ik stond op, op mijn voeten, en hij zeide tot mij:

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 1:25
En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 5:12
En hij kwam in, en zij groetten elkander.

Tobias (Tobit) 7:1
EN gingen tot het huis van RaguŽl, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.

Tobias (Tobit) 7:14
En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.

Tobias (Tobit) 8:10
En RaguŽl kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:

Tobias (Tobit) 8:13
En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.

Tobias (Tobit) 11:5
En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter hen.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 14:15
En kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns vaders Tobias.

Judith 1:14
En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 2:15
En hij nam de landpalen van CiliciŽ in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen ArabiŽ liggen.

Judith 3:13
En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, welke ligt tegenover de grote engte van Judea.

Judith 7:7
En kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar zijn volk.

Judith 7:13
En de kinderen IsraŽls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der AssyriŽrs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van BethuliŽ en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 8:3
Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad BethuliŽ, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld dat tussen DothaÔm en Belamon ligt.

Judith 10:2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

Judith 10:11
Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht der AssyriŽrs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen IsraŽls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat ťťn man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 10:18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

Judith 10:19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der AssyriŽrs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Judith 13:15
En zij liepen allen tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en ontvingen haar.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis IsraŽls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:13
En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.

Judith 16:4
Assur kwam uit de gebergten van het noorden;

Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.

Judith 16:25
En na die dagen trok een iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder naar BethuliŽ, en bleef bij haar goederen.

Boek der Wijsheid 7:7
Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam tot mij.

Boek der Wijsheid 7:11
En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen.

Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,

Boek der Wijsheid 16:10
Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.

Boek der Wijsheid 16:21
Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Jezus Sirach 46:1
JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieŽn.

Jezus Sirach 47:27
Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte IsraŽl zondigende, en gaf EfraÔm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;

Baruch 1:4
En voor de oren van het ganse volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in BabyloniŽ bij de rivier Sud.

Esther (apocr.) 11:8
En zij riepen sterk tot God, en van hun geroep, als van een kleine fontein, kwam een grote rivier en veel water voort.

Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.

Susanna (Dan. 13) 1:15
En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.

Susanna (Dan. 13) 1:28
En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;

Susanna (Dan. 13) 1:30
En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar maagschap.

Susanna (Dan. 13) 1:36
En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;

Susanna (Dan. 13) 1:37
Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over DaniŽl, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet DaniŽl zat daar.

1 MakkabeeŽn 1:18
En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.

1 MakkabeeŽn 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.

1 MakkabeeŽn 2:23
En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel des konings.

1 MakkabeeŽn 3:26
Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.

1 MakkabeeŽn 3:44
En de vergadering kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid en ontferming te verzoeken.

1 MakkabeeŽn 4:5
En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.

1 MakkabeeŽn 4:29
En zij, in Idumeš gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.

1 MakkabeeŽn 5:42
Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.

1 MakkabeeŽn 5:53
En Judas, leidende de achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat hij kwam in het land van Juda.

1 MakkabeeŽn 6:5
En daar kwam een die hem boodschapte in PerziŽ, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;

1 MakkabeeŽn 6:29
En van andere koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 7:27
En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame woorden;

1 MakkabeeŽn 7:29
En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.

1 MakkabeeŽn 9:34
Bacchides dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over de Jordaan.

1 MakkabeeŽn 9:39
En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen.

1 MakkabeeŽn 9:43
Hetwelk Bacchides horende. kwam op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.

1 MakkabeeŽn 9:60
En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.

1 MakkabeeŽn 9:64
En hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld.

1 MakkabeeŽn 9:65
En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot getal.

1 MakkabeeŽn 10:7
En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

1 MakkabeeŽn 10:67
En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 10:77
Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel krijgsvolk;

1 MakkabeeŽn 11:3
En als PtolomeŁs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.

1 MakkabeeŽn 11:4
En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.

1 MakkabeeŽn 11:6
En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.

1 MakkabeeŽn 11:13
En PtolomeŁs kwam te AntiochiŽ, en zette op zijn hoofd twee koninklijke hoeden, een van AziŽ, en een van Egypte.

1 MakkabeeŽn 11:15
En Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en PtolemeŁs toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.

1 MakkabeeŽn 11:22
En hij, dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij terstond aan, en kwam te PtolomaÔs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot PtolomaÔs, om met hem te spreken.

1 MakkabeeŽn 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van SyriŽ vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.

1 MakkabeeŽn 12:32
En optrekkende, kwam hij naar Damaskus, en trok door het ganse land.

1 MakkabeeŽn 12:37
En zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.

1 MakkabeeŽn 12:41
En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.

1 MakkabeeŽn 13:20
En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok.

1 MakkabeeŽn 15:11
En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.

1 MakkabeeŽn 15:32
En Athenobius, de vriend des konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.

1 MakkabeeŽn 15:40
En CendebeŁs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,

1 MakkabeeŽn 16:1
En Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, wat CendebeŁs uitrichtte.

1 MakkabeeŽn 16:9
Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat CendebeŁs gebouwd had.

1 MakkabeeŽn 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

2 MakkabeeŽn 1:22
Hetwelk gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.

2 MakkabeeŽn 3:5
En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon van ThraseŁs, die in die tijd overste was van Celo-SyriŽ en FeniciŽ.

2 MakkabeeŽn 4:25
En des konings bevelen ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat des hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.

2 MakkabeeŽn 6:19
Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats,

2 MakkabeeŽn 8:8
Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam, schreef aan PtolomeŁs, de overste van Celo-SyriŽ en FeniciŽ, dat hij de zaak des konings zou te hulp komen.

2 MakkabeeŽn 8:27
En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die over hen kwam.

2 MakkabeeŽn 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te AntiochiŽ, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.

2 MakkabeeŽn 10:24
En TimotheŁs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van AziŽ waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.

2 MakkabeeŽn 11:5
Kwam in Judea, en genaakte Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem omtrent vijf stadiŽn en hij benauwde het.

2 MakkabeeŽn 12:11
En als er een hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van ArabiŽ, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.

2 MakkabeeŽn 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.

2 MakkabeeŽn 12:35
En een zekere DositheŁs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek henen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa.

2 MakkabeeŽn 12:38
En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.

2 MakkabeeŽn 13:1
In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.

2 MakkabeeŽn 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

2 MakkabeeŽn 13:19
En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd.

2 MakkabeeŽn 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.

2 MakkabeeŽn 14:44
Die terstond achterwaarts wijkende en plaats makende, kwam hij in het midden te vallen op zijn buik.

2 MakkabeeŽn 14:45
En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.

3 MakkabeeŽn 1:9
En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts op die plaats placht te geschieden, gedaan had;

3 MakkabeeŽn 1:10
En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.

3 MakkabeeŽn 2:18
Maar als hij een wijle daarna weder tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.

3 MakkabeeŽn 2:19
Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op des konings voorstel, ook zelf zijn wil volgden.

3 MakkabeeŽn 5:5
En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen te geven.

3 MakkabeeŽn 6:15
Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan het renperk.