Vindplaatsen van het woord keerde in de apocriefe geschriften (33 verzen):

3 Ezra 1:28
En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.

3 Ezra 3:3
En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.

3 Ezra 9:41
En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.

4 Ezra 9:39
Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zeide:

4 Ezra 11:31
En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.

4 Ezra 13:3
En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden des hemels, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.

Tobias (Tobit) 2:10
En diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren;

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Susanna (Dan. 13) 1:50
En het ganse volk keerde met haast weder; en de oudsten zeiden tot hem: Kom herwaarts, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, dewijl God u het rechterambt heeft gegeven.

1 MakkabeeŽn 1:21
En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weder in het honderdendrieŽnveertigste jaar;

1 MakkabeeŽn 3:8
Hij doortrok de steden van Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen en keerde de toorn Gods van IsraŽl af.

1 MakkabeeŽn 4:23
En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.

1 MakkabeeŽn 5:8
En Jazer met haar vlekken ingenomen hebbende, keerde hij weder in Judea.

1 MakkabeeŽn 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 MakkabeeŽn 5:68
En Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof der steden, en keerde weder naar het land Juda.

1 MakkabeeŽn 6:4
En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met grote droefheid, en keerde weder naar Babylon.

1 MakkabeeŽn 6:63
En is haastig vertrokken, en keerde weder naar AntiochiŽ, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.

1 MakkabeeŽn 7:25
En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.

1 MakkabeeŽn 9:49
En aan de zijde van Bacchides vielen die dag omtrent duizend man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 9:57
En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

1 MakkabeeŽn 10:66
En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.

1 MakkabeeŽn 10:68
En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weder naar AntiochiŽ.

1 MakkabeeŽn 10:87
En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.

1 MakkabeeŽn 11:7
En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 11:71
En hij keerde weder tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.

1 MakkabeeŽn 11:73
En daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 12:35
En Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te bouwen in Judea;

1 MakkabeeŽn 13:24
En Tryfon keerde weder, en trok naar zijn land.

1 MakkabeeŽn 15:36
En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.

1 MakkabeeŽn 16:10
En zij vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van dezen vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar het land Juda met vrede.

3 MakkabeeŽn 5:9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.

3 MakkabeeŽn 6:27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.