Vindplaatsen van het woord knieŽn in het nieuwe testament (9 verzen):

MattheŁs 17:14
En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieŽn, en zeggende:

MattheŁs 27:29
En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieŽn voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!

Marcus 1:40
En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieŽn, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

Marcus 10:17
En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieŽn vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?

Marcus 15:19
En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieŽn, aanbaden Hem.

Lukas 5:8
En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieŽn van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.

Handelingen 7:60
En vallende op de knieŽn, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.

EfeziŽrs 3:14
Om deze oorzaak buig ik mijn knieŽn tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,

HebreeŽn 12:12
Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieŽn;