Vindplaatsen van het woord koorden in het oude testament (7 verzen):

2 SamuŽl 17:13
En indien hij zich in een stad zal begeven, zo zal gans IsraŽl koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje aldaar gevonden worde.

1 Koningen 20:31
Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis IsraŽls goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van IsraŽl; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden.

1 Koningen 20:32
Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot den koning van IsraŽl, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.

Psalmen 140:6
De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.

Jesaja 5:18
Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!

Jesaja 54:2
Maak de plaats uwer tenten wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in.

EzechiŽl 27:24
Die waren uw kooplieden met volkomen sieradien, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap.