Vindplaatsen van het woord krijgden in het oude testament (8 verzen):

Jozua 10:5
Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.

Jozua 10:34
En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans IsraŽl met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.

Jozua 10:36
Daarna toog Jozua op, en gans IsraŽl met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.

Jozua 19:47
Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar den naam van hun vader Dan.

Jozua 24:11
Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanašnieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand.

Richteren 11:4
En het geschiedde, na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen IsraŽl krijgden.

Richteren 11:5
Zo geschiedde het, als de kinderen Ammons tegen IsraŽl krijgden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob.

2 Kronieken 17:10
En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat.