Vindplaatsen van het woord kamos in het oude testament (7 verzen):

Richteren 11:24
Zoudt gij niet dengene erven, dien uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Alzo zullen wij al dengene erven, dien de HEERE, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.

1 Koningen 11:7
Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.

1 Koningen 11:33
Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der SidoniŽrs, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.

2 Koningen 23:13
De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Salomo, de koning van IsraŽl, voor Astoreth, het verfoeisel der SidoniŽrs, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.

Jeremia 48:7
Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.

Jeremia 48:13
En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis IsraŽls beschaamd is geworden vanwege Beth-el, hunlieder vertrouwen.

Jeremia 48:46
Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.