Vindplaatsen van het woord krijgslieden in de apocriefe geschriften (8 verzen):

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

1 MakkabeeŽn 9:52
En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden en voorraad van spijs.

1 MakkabeeŽn 10:36
En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;

1 MakkabeeŽn 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.

1 MakkabeeŽn 15:12
Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.

2 MakkabeeŽn 5:12
En gebood de krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden doodslaan.

3 MakkabeeŽn 1:2
En nam zijn zuster ArsinoŽ met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger hadden.

3 MakkabeeŽn 3:9
De koning PtolomeŁs Filopator wenst alle stadhouders en krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.