Vindplaatsen van het woord kent in de apocriefe geschriften (11 verzen):

4 Ezra 3:32
Is er dan een ander volk dat u kent, dan IsraŽl? of wat geslacht heeft uw verbonden geloofd, gelijk Jakob?

4 Ezra 15:26
Want de Here kent al degenen, die tegen hem zondigen, daarom heeft hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.

4 Ezra 16:55
Ziet de Here kent alle daden en raadslagen der mensen, en hun gedachten, en hun harten.

Tobias (Tobit) 7:5
En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

Boek der Wijsheid 15:11
Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.

Jezus Sirach 18:27
Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.

Jezus Sirach 27:23
Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.

Jezus Sirach 42:23
Want de Allerhoogste kent alle wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.

Baruch 3:32
Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.

Baruch 6:14
Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.

Esther (apocr.) 13:12
Gij kent alle dingen, gij weet, Here, dat ik niet uit spijtigheid, noch uit hovaardigheid, noch uit eergierigheid, dit heb gedaan, dat ik de hovaardige Haman niet heb aangebeden.