Vindplaatsen van het woord kores in het oude testament (17 verzen):

2 Kronieken 36:22
Maar in het eerste jaar van Kores, koning van PerziŽ, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van PerziŽ, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:

2 Kronieken 36:23
Zo zegt Kores, koning van PerziŽ: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Ezra 1:1
In het eerste jaar nu van Kores, koning van PerziŽ, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van PerziŽ, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:

Ezra 1:2
Zo zegt Kores, koning van PerziŽ: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is.

Ezra 1:7
Ook bracht de koning Kores uit, de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods.

Ezra 1:8
En Kores, de koning van PerziŽ, bracht ze uit door de hand van Mithredath, den schatmeester, die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, toetelde.

Ezra 3:7
Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie aan de SidoniŽrs en aan de TyriŽrs, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van PerziŽ, aan hen.

Ezra 4:3
Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van IsraŽl zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God IsraŽls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van PerziŽ, ons geboden heeft.

Ezra 4:5
En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van PerziŽ, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van PerziŽ.

Ezra 5:13
Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.

Ezra 5:14
Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot een landvoogd had gesteld.

Ezra 5:17
Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.

Ezra 6:3
In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

Ezra 6:14
En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet HaggaÔ en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God IsraŽls, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van PerziŽ.

DaniŽl 1:21
En DaniŽl bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.

DaniŽl 6:29
Deze DaniŽl nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.

DaniŽl 10:1
In het derde jaar van Kores, den koning van PerziŽ, werd aan DaniŽl, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.