Vindplaatsen van het woord lachen in het oude testament (13 verzen):

Genesis 21:6
En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.

Job 5:22
Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

Job 30:1
Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.

Psalmen 2:4
Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

Psalmen 52:8
En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:

Psalmen 126:2
Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

Spreuken 1:26
Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

Spreuken 14:13
Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.

Prediker 2:2
Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?

Prediker 3:4
Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen;

Prediker 7:3
Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.

Prediker 7:6
Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.

Prediker 10:19
Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.