Vindplaatsen van het woord lachen in de apocriefe geschriften (4 verzen):

Jezus Sirach 19:28
De kleding des mans, en het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen wat hij voor een is.

Jezus Sirach 21:23
Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.

Jezus Sirach 27:13
Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.

Esther (apocr.) 14:11
Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.