Vindplaatsen van het woord liefelijk in het oude testament (22 verzen):

2 SamuŽl 1:26
Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.

2 SamuŽl 23:1
Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van IsaÔ zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van IsraŽl, zegt:

Psalmen 84:2
Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

Psalmen 133:1
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen!

Psalmen 135:3
Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.

Psalmen 147:1
Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.

Spreuken 2:10
Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;

Spreuken 9:17
De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

Spreuken 22:18
Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

Spreuken 24:4
En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.

Hooglied 1:5
Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

Hooglied 1:10
Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.

Hooglied 1:16
Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.

Hooglied 2:14
Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.

Hooglied 4:3
Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.

Hooglied 6:4
Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.

Hooglied 7:6
Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!

Hooglied 8:5
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.

Jesaja 38:17
Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.

Jesaja 52:7
Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.

EzechiŽl 32:19
Boven wien zijt gij liefelijk! Daal neder, en leg u bij de onbesnedenen.

DaniŽl 2:46
Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad DaniŽl; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.