Vindplaatsen van het woord leeuw in de apocriefe geschriften (12 verzen):

3 Ezra 4:24
En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.

4 Ezra 11:37
En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de arend, en zeide:

4 Ezra 12:1
EN het is geschied toen de leeuw deze woorden sprak tot de arend, dat ik zag,

4 Ezra 12:31
Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.

4 Ezra 16:6
Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden?

Jezus Sirach 4:35
Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld is.

Jezus Sirach 25:20
Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een boze vrouw.

Jezus Sirach 27:10
Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken.

Jezus Sirach 27:29
De hovaardigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk een leeuw.

Jezus Sirach 28:27
Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.

Esther (apocr.) 14:13
Geef mij bekwame rede in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet worde, en degenen die met hem eensgezind zijn.

1 MakkabeeŽn 3:4
Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt.