Vindplaatsen van het woord leven in de apocriefe geschriften (178 verzen):

3 Ezra 1:31
En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.

3 Ezra 4:21
En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.

3 Ezra 5:74
En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe.

3 Ezra 6:31
Opdat drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 4:12
En ik zeide tot hem: Het ware beter dat wij niet waren, dan dat wij nog levende zouden leven in goddeloosheid, en zouden lijden, en niet verstaan om welke zaak.

4 Ezra 4:24
En waarom wij door de wereld zijn gegaan als sprinkhanen, en ons leven verbaasdheid is en vrees, en wij niet waardig zijn barmhartigheid te verkrijgen.

4 Ezra 4:51
En ik bad en zeide: Meent gij, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn?

4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.

4 Ezra 5:4
Indien nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult gij na de derde bazuin zien, dat de zon des nachts haastig zal schijnen, en de maan driemaal in de dag.

4 Ezra 6:21
En kinderen van ťťn jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden,

4 Ezra 7:14
Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.

4 Ezra 7:21
Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden.

4 Ezra 7:39
En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

4 Ezra 7:47
Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in droefheid, en als zij dood zijn de straf te verwachten?

4 Ezra 7:59
Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zeide: Verkiest u het leven, opdat gij leeft.

4 Ezra 8:5
Want gij zijt overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven.

4 Ezra 8:6
O Here, zo gij uw knecht niet toelaat, dat wij voor uw aanschijn bidden, en dat gij ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?

4 Ezra 8:60
Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.

4 Ezra 9:10
Want die mij niet gekend hebben, toen zij in het leven weldaden ontvingen.

4 Ezra 13:55
Gij hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand genoemd uw moeder.

4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.

4 Ezra 16:62
Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden des lichaams, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven.

Tobias (Tobit) 3:6
En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.

Tobias (Tobit) 3:21
Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?

Tobias (Tobit) 5:27
Want zulks als ons van de Here gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 12:9
Het gebed met vasten, en aalmoezen, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid, dan veel met ongerechtigheid. Het is beter aalmoezen te doen, dan goud tot een schat vergaderen. Want aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die aalmoezen en gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden.

Tobias (Tobit) 12:10
Maar die zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar MediŽ, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in MediŽ zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Judith 7:16
Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.

Judith 8:21
En nu, broeders, laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht heeft.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 10:13
En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.

Judith 10:15
En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.

Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.

Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.

Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.

Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.

Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.

Boek der Wijsheid 2:4
En onze naam wordt mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.

Boek der Wijsheid 2:15
Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans andere.

Boek der Wijsheid 3:17
Want indien zij al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht worden, en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn.

Boek der Wijsheid 4:9
Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.

Boek der Wijsheid 4:16
De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom des onrechtvaardigen.

Boek der Wijsheid 5:4
Wij zotten, hielden zijn leven voor razernij, en zijn einde voor oneerlijk.

Boek der Wijsheid 5:16
Maar de rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste zorgt voor hen.

Boek der Wijsheid 7:6
Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.

Boek der Wijsheid 8:5
En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?

Boek der Wijsheid 8:7
En zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, gerechtigheid en dapperheid, welke de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.

Boek der Wijsheid 8:9
Zo heb Ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, in zorg en droefheid.

Boek der Wijsheid 8:16
Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.

Boek der Wijsheid 10:8
Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.

Boek der Wijsheid 11:15
Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.

Boek der Wijsheid 13:18
En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.

Boek der Wijsheid 14:21
En dit is tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, Úf het ongeval, Úf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt worden.

Boek der Wijsheid 14:24
Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar Úf de een brengt de ander om door list, Úf doet hem smart aan door overspel.

Boek der Wijsheid 14:28
Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.

Boek der Wijsheid 14:29
Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.

Boek der Wijsheid 15:9
Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.

Boek der Wijsheid 15:10
Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem.

Boek der Wijsheid 15:11
Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.

Boek der Wijsheid 15:12
Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.

Boek der Wijsheid 15:17
Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.

Boek der Wijsheid 16:13
Want gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder uit.

Jezus Sirach 1:11
De vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.

Jezus Sirach 1:20
De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang leven.

Jezus Sirach 3:6
Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,

Jezus Sirach 3:13
Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.

Jezus Sirach 4:1
MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit.

Jezus Sirach 4:13
Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.

Jezus Sirach 5:1
HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.

Jezus Sirach 6:6
Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.

Jezus Sirach 9:17
En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.

Jezus Sirach 10:32
Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert?

Jezus Sirach 11:14
Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.

Jezus Sirach 11:25
Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

Jezus Sirach 13:2
Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan gij.

Jezus Sirach 13:6
Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

Jezus Sirach 13:17
Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.

Jezus Sirach 14:4
Wie vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven.

Jezus Sirach 15:17
Het leven en de dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.

Jezus Sirach 16:2
Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.

Jezus Sirach 16:30
Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.

Jezus Sirach 18:29
Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.

Jezus Sirach 18:33
Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.

Jezus Sirach 19:5
Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.

Jezus Sirach 19:6
Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid.

Jezus Sirach 19:8
En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.

Jezus Sirach 20:22
Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.

Jezus Sirach 20:31
Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.

Jezus Sirach 22:7
Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.

Jezus Sirach 22:12
Want het leven van een dwaas is boven de dood.

Jezus Sirach 23:35
Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.

Jezus Sirach 25:3
DrieŽrlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:

Jezus Sirach 26:20
Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.

Jezus Sirach 26:29
Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.

Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.

Jezus Sirach 29:26
Het leven des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs onder de vreemden.

Jezus Sirach 29:28
Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.

Jezus Sirach 30:5
In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.

Jezus Sirach 30:17
De dood is beter dan een bittere leven, of bijblijvende zwakheid.

Jezus Sirach 30:22
Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.

Jezus Sirach 31:30
De wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig drinkt.

Jezus Sirach 31:31
Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.

Jezus Sirach 33:15
Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.

Jezus Sirach 33:23
Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.

Jezus Sirach 34:13
De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.

Jezus Sirach 34:18
Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.

Jezus Sirach 34:22
Het brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen daarvan berooft, is een doodslager.

Jezus Sirach 37:19
Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.

Jezus Sirach 37:26
Het leven van een man heeft een getal der dagen, maar de dagen van IsraŽl zijn ontelbaar.

Jezus Sirach 37:32
Door de onverzadelijkheid zijn er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen.

Jezus Sirach 38:14
Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing om te mogen leven.

Jezus Sirach 38:20
Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.

Jezus Sirach 39:13
Zijn gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.

Jezus Sirach 39:15
Indien hij in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen; en indien hij komt te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.

Jezus Sirach 39:30
Het voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, en olie, en een kleed.

Jezus Sirach 40:17
Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven.

Jezus Sirach 40:29
Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.

Jezus Sirach 41:16
Een goed leven heeft een. zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.

Jezus Sirach 42:29
Al deze dingen leven en blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.

Jezus Sirach 48:12
Want ook wij zullen zeker leven.

Jezus Sirach 48:15
En in zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk.

Jezus Sirach 48:26
In zijn dagen ging de zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning het leven.

Jezus Sirach 50:1
SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.

Jezus Sirach 51:8
Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf.

Baruch 1:11
En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.

Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

Baruch 3:14
Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.

Baruch 4:1
DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.

Baruch 6:46
En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?

Esther (apocr.) 13:2
Daar ik over vele volken heers, en de gehele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen mijner macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weder vernieuwen.

Esther (apocr.) 13:18
Verhoor mijn gebed, en zijt uw erfdeel genadig, en wend ons treuren in vreugde, opdat wij leven en uw naam prijzen, Here, en verdelg de mond niet dergenen, die u loven.

Esther (apocr.) 16:12
Zo heeft hij zulke hoogmoed niet kunnen dragen, maar heeft voorgenomen ons van ons rijk en leven te beroven,

1 MakkabeeŽn 2:13
Waarom zouden wij nog willen leven?

1 MakkabeeŽn 2:33
Het is nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar het woord des konings, en gij zult het leven behouden.

1 MakkabeeŽn 2:40
En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.

1 MakkabeeŽn 4:35
Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar AntiochiŽ, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.

1 MakkabeeŽn 9:71
En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.

1 MakkabeeŽn 12:51
En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.

2 MakkabeeŽn 3:31
En sommigen van Heliodorus' vrienden hebben in haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen, dat hij hem, die nu gans in de uiterste adem lag, het leven zou willen schenken.

2 MakkabeeŽn 3:33
En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongelingen weder verschenen aan Heliodorus, bekleed zijnde met dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dankt de hogepriester Onias grotelijks, want om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.

2 MakkabeeŽn 3:35
En Heliodorus, als hij God offerande had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok het leger weder naar de koning;

2 MakkabeeŽn 4:7
Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen, zo heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap.

2 MakkabeeŽn 4:38
En in zijn gemoed met gramschap ontstoken zijnde, heeft deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.

2 MakkabeeŽn 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood MenelaŁs op de burcht.

2 MakkabeeŽn 6:19
Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats,

2 MakkabeeŽn 6:20
Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt, die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te behouden.

2 MakkabeeŽn 6:27
Waarom ik nu het leven moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen deze ouderdom waardig te zijn,

2 MakkabeeŽn 7:9
En als hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens weder opwekken.

2 MakkabeeŽn 7:14
En als hij sterven zou, sprak hij aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden, doch voor u zal geen opstanding ten leven zijn.

2 MakkabeeŽn 7:22
Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam zijt voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;

2 MakkabeeŽn 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.

2 MakkabeeŽn 7:36
Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij zult door het oordeel Gods rechtvaardige straffen van deze hovaardigheid wegdragen.

2 MakkabeeŽn 9:28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.

2 MakkabeeŽn 10:9
En de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest.

2 MakkabeeŽn 10:13
Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.

2 MakkabeeŽn 12:4
En als zij, volgens het algemeen besluit der stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd.

2 MakkabeeŽn 12:24
En TimotheŁs zelf, als hij gevallen was in de handen van DositheŁs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen hunner ouders en hunner broeders had, en het geschieden zou dat men anderszins op die geen acht zou hebben.

2 MakkabeeŽn 14:10
Want zo lang als Judas zal leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht worden.

2 MakkabeeŽn 14:25
En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en kinderen gewinnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.

2 MakkabeeŽn 14:46
En staande op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemen, wierp het onder de scharen; en aanroepende de Here van leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven, zo is hij op deze wijze gestorven.

3 MakkabeeŽn 2:17
Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.

3 MakkabeeŽn 2:20
En hij nam voor openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.

3 MakkabeeŽn 2:24
Doch de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen.

3 MakkabeeŽn 3:1
En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen AlexandriŽ, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in ťťn plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.

3 MakkabeeŽn 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.

3 MakkabeeŽn 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

3 MakkabeeŽn 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 MakkabeeŽn 5:21
Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.

3 MakkabeeŽn 5:32
Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.

3 MakkabeeŽn 6:1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:

3 MakkabeeŽn 6:8
En indien ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf ons met de dood, zoals het u believen zal.

3 MakkabeeŽn 6:21
Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd heidenen over uw on

3 MakkabeeŽn 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.

3 MakkabeeŽn 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.