Vindplaatsen van het woord landpalen in het oude testament (33 verzen):

Exodus 10:19
Toen keerde de HEERE een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet een sprinkhaan over in al de landpalen van Egypte.

Exodus 23:31
En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.

Exodus 34:24
Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.

Numeri 20:17
Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter hand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.

Numeri 21:13
Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.

Numeri 32:33
Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.

Numeri 34:2
Gebied den kinderen IsraŽls, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanašn ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanašn, naar zijn landpalen.

Deuteronomium 16:4
Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enige uwer landpalen; ook zal van het vlees, dat gij aan den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, niets tot den morgen overnachten.

Deuteronomium 28:40
Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.

Deuteronomium 32:8
Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen IsraŽls.

Jozua 18:20
De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hun landpalen rondom, naar hun huisgezinnen.

Jozua 19:49
Toen zij nu geŽindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn landpalen, zo gaven de kinderen IsraŽls aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.

Richteren 19:29
Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van IsraŽl.

1 SamuŽl 5:6
Doch de hand des HEEREN was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar landpalen.

1 SamuŽl 7:13
Alzo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in de landpalen van IsraŽl; want de hand des HEEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van SamuŽl.

1 SamuŽl 11:3
Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al de landpalen van IsraŽl; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.

1 SamuŽl 11:7
En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle landpalen van IsraŽl door de hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter SamuŽl, alzo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vreze des HEEREN op het volk, en zij gingen uit als een enig man.

1 Koningen 1:3
Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle landpalen van IsraŽl; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot den koning.

2 Koningen 10:32
In die dagen begon de HEERE IsraŽl af te korten, want HazaŽl sloeg ze in alle landpalen van IsraŽl:

2 Koningen 15:16
Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.

2 Koningen 18:8
Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar landpalen, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.

1 Kronieken 6:54
En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Ašron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.

1 Kronieken 21:12
Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht uwer wederpartij, en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervenden engel des HEEREN in al de landpalen van IsraŽl? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Dien zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.

2 Kronieken 11:13
Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse IsraŽl waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen.

Job 24:2
Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.

Psalmen 105:33
En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.

Psalmen 147:14
Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.

Jesaja 10:13
Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;

Jesaja 19:19
Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar landpalen voor den HEERE.

Jeremia 15:13
Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen.

Jeremia 17:3
Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.

EzechiŽl 27:4
Uw landpalen zijn in het hart der zeeŽn; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.

Hosea 5:10
De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.