Vindplaatsen van het woord levi in het nieuwe testament (8 verzen):

Marcus 2:14
En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van AlfeŁs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.

Lukas 3:24
Den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Janna, den zoon van Jozef,

Lukas 3:29
Den zoon van Joses, den zoon van EliŽzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi,

Lukas 5:27
En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.

Lukas 5:29
En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.

HebreeŽn 7:5
En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn.

HebreeŽn 7:9
En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;

Openbaring 7:7
Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;