Vindplaatsen van het woord luiaard in het oude testament (9 verzen):

Spreuken 6:6
Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

Spreuken 6:9
Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

Spreuken 19:24
Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

Spreuken 20:4
Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

Spreuken 22:13
De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

Spreuken 26:13
De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

Spreuken 26:14
Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

Spreuken 26:15
De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

Spreuken 26:16
De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.