Vindplaatsen van het woord lood in het oude testament (8 verzen):

Exodus 15:10
Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!

Numeri 31:22
Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood;

Job 19:24
Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!

Jeremia 6:29
De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn.

EzechiŽl 22:18
Mensenkind, die van het huis IsraŽls zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden des ovens; zilverschuim zijn zij geworden.

EzechiŽl 22:20
Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; alzo zal Ik ulieden vergaderen in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid daar laten, en smelten.

EzechiŽl 27:12
Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.

Zacharia 5:7
En ziet, een plaat van lood werd opgeheven, en er was een vrouw, zittende in het midden der efa.