Vindplaatsen van het woord mantel in het nieuwe testament (8 verzen):
Mattheüs 5:40
En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
Mattheüs 27:28
En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
Mattheüs 27:31
En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
Marcus 10:50
En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
Marcus 15:17
En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;
Marcus 15:20
En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.
Lukas 6:29
Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
Handelingen 12:8
En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst