Vindplaatsen van het woord menigte in de apocriefe geschriften (117 verzen):
3 Ezra 8:22
Tot honderd talenten zilvers toe, desgelijks tot honderd mudden koorn, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte.
3 Ezra 8:92
En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.
3 Ezra 9:2
En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen der menigte.
3 Ezra 9:4
En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.
3 Ezra 9:6
En de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.
3 Ezra 9:10
Toen riep de ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:
3 Ezra 9:11
Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.
3 Ezra 9:12
Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;
3 Ezra 9:38
En de gehele menigte kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is voor de heilige poort tegen het oosten.
3 Ezra 9:40
En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende maand.
3 Ezra 9:41
En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.
3 Ezra 9:45
En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.
3 Ezra 9:49
En zij lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.
4 Ezra 3:16
Jakob nu hebt gij u verkoren, maar Ezau hebt gij van u afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte.
4 Ezra 6:44
Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van velerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en welriekende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.
4 Ezra 6:56
Doch de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt gij gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt gij vergeleken met de druppel, die van een vat valt.
4 Ezra 7:69
En indien de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte der twistingen,
4 Ezra 7:70
Zo zouden mogelijk van een ontelbare menigte niet dan zeer weinigen overgelaten worden.
4 Ezra 9:22
Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt.
4 Ezra 10:10
En uit haar zijn van den beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing.
4 Ezra 10:11
Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar gij maar over één zo droevig zijt.
4 Ezra 10:13
Doch de aarde doet naar de wijze der aarde, en de tegenwoordige menigte keert weder in haar, gelijk zij daaruit gekomen is.
4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.
4 Ezra 13:9
En zie, zodra als hij het geweld der aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit,
4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.
4 Ezra 13:12
En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen.
4 Ezra 13:28
En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld nochtans verdierf de ganse menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring:
4 Ezra 13:34
En een ontelbare menigte zal bijeen vergaderen, alsof zij wilden komen en hem bestrijden.
4 Ezra 13:39
En dat gij gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich vergaderd heeft;
4 Ezra 13:41
Doch zij besloten, dat zij de menigte der heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen menselijk geslacht ooit tevoren gewoond had.
4 Ezra 13:47
Zo zal de Allerhoogste weder de aderen der rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt gij deze menigte vreedzaam gezien.
4 Ezra 13:49
Het zal dan geschieden, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte dergenen, die uit de volken vergaderd zijn, dat hij zal beschermen het volk hetwelk overgebleven is.
4 Ezra 15:29
Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagenen, en gelijk als een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;
4 Ezra 15:41
Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte des waters vervuld zullen zijn.
4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.
Tobias (Tobit) 4:8
Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar de menigte der dingen.
Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.
Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.
Judith 2:8
En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.
Judith 2:9
En een grote menigte koren voor ieder man.
Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.
Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.
Judith 5:9
En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.
Judith 7:2
Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.
Judith 7:4
De kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.
Judith 7:12
En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;
Judith 9:15
Want uw sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen hoop hebben.
Judith 15:8
En de kinderen Israëls wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte.
Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.
Boek der Wijsheid 4:3
Maar de vruchtbare menigte der goddelozen zal geen voordeel doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten.
Boek der Wijsheid 6:24
Maar de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks welstand.
Boek der Wijsheid 8:15
Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.
Boek der Wijsheid 11:16
En in plaats van de onverstandige overleggingen hunner ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige dieren tot wraak toegezonden.
Boek der Wijsheid 11:18
Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.
Boek der Wijsheid 16:1
DAAROM zijn zij door dergelijke billijk geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd geweest.
Boek der Wijsheid 18:5
En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.
Boek der Wijsheid 18:20
Ook heeft eenmaal de aanvechting des doods de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied, maar die toorn duurde niet lang.
Boek der Wijsheid 19:10
Want zij waren nog gedachtig de dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.
Jezus Sirach 5:6
En zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte mijner zonden zal verzoend worden.
Jezus Sirach 6:35
Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.
Jezus Sirach 7:7
Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.
Jezus Sirach 7:9
Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.
Jezus Sirach 7:14
Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.
Jezus Sirach 7:16
Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.
Jezus Sirach 14:1
ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.
Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.
Jezus Sirach 16:2
Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.
Jezus Sirach 34:20
De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.
Jezus Sirach 35:20
Ja, hij zal de volken wraak vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal weggenomen, en de scepters der onrecht vaardigen verbroken zal hebben.
Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.
Jezus Sirach 44:20
Abraham is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.
Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;
Jezus Sirach 51:4
Gij hebt mij verlost naar de menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden;
Baruch 4:34
En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:42
Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar uw goedertierenheid, en naar de menigte van uw barmhartigheid.
Gebed van Manasse 1:7
Gij, Here, die naar de grootte uwer goedheid hebt beloofd, dat het u berouwen zal, en dat gij vergeven zult degenen die tegen u hebben gezondigd, en door de menigte van uw ontfermingen, naar uw besluit, geeft gij de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.
Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.
1 Makkabeeën 1:3
En doortrok tot aan het uiterste der aarde, en grote buit verkreeg van menigte der volken, en dat het land voor hem stil was.
1 Makkabeeën 1:18
En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.
1 Makkabeeën 1:22
En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.
1 Makkabeeën 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.
1 Makkabeeën 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?
1 Makkabeeën 3:19
Want de overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze.
1 Makkabeeën 3:20
Dezen komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid en ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.
1 Makkabeeën 4:8
Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.
1 Makkabeeën 5:12
Komt dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen;
1 Makkabeeën 6:41
En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.
1 Makkabeeën 8:20
Judas Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.
1 Makkabeeën 9:6
En zij zagen de menigte des krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven.
1 Makkabeeën 9:63
Als Bacchides dat vernam, zo vergaderde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren.
1 Makkabeeën 10:78
En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.
1 Makkabeeën 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.
2 Makkabeeën 2:22
En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben vervolgd;
2 Makkabeeën 2:25
Want wij, ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor degenen, die de historische verhalen te enen male willen doorlezen, om de menigte van de stof,
2 Makkabeeën 3:6
En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning.
2 Makkabeeën 3:21
Het was erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkander gemengd nederviel, en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn benauwdheid was.
2 Makkabeeën 4:5
Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen als in het bijzonder, dienstig zou zijn.
2 Makkabeeën 4:39
En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat weder veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was.
2 Makkabeeën 5:3
En hopen paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkander geschiedde, en aanlopen tegen elkander, en beweging der schilden, een grote menigte van spiesen, en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen.
2 Makkabeeën 5:10
En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf mogen genieten.
2 Makkabeeën 5:26
En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.
2 Makkabeeën 8:16
En Judas Makkabeüs, vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;
2 Makkabeeën 10:24
En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.
2 Makkabeeën 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.
2 Makkabeeën 12:27
En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.
2 Makkabeeën 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.
2 Makkabeeën 13:1
In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.
2 Makkabeeën 13:15
En zijn volk tot leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongelingen bij nacht, bij het hof des konings, aangevallen op het leger, en heeft omtrent tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met de menigte dergenen, die daar in het huis waren.
2 Makkabeeën 14:1
Na de tijd van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;
2 Makkabeeën 14:20
En als hierover vele raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.
2 Makkabeeën 14:41
Maar als de menigte de toren zou innemen, en geweld deden op de deur van het voorhof, en als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken, als hij nu rondom bezet was, heeft hij zichzelf met het zwaard doorstoken;
2 Makkabeeën 15:21
Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.
3 Makkabeeën 2:7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.
3 Makkabeeën 4:5
Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.
3 Makkabeeën 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.
3 Makkabeeën 6:13
U bidt de ganse menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons niet hebt afgewend;
3 Makkabeeën 7:11
Toen hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de gehele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst