Vindplaatsen van het woord mannen in de apocriefe geschriften (145 verzen):

3 Ezra 3:19
O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;

3 Ezra 3:25
O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.

3 Ezra 4:2
O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?

3 Ezra 4:12
O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

3 Ezra 4:14
O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.

3 Ezra 4:32
O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?

3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

3 Ezra 5:4
Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken, naar de huizen hunner vaderen in de stammen, naar de verdeling hunner heerschappijen.

3 Ezra 6:12
En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.

3 Ezra 8:30
En ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.

3 Ezra 8:33
Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.

3 Ezra 8:34
Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.

3 Ezra 8:35
Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.

3 Ezra 8:36
Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.

3 Ezra 8:37
Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:38
Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.

3 Ezra 8:39
Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.

3 Ezra 8:40
Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.

3 Ezra 8:41
Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.

3 Ezra 8:42
Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:48
En zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;

3 Ezra 8:49
En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;

3 Ezra 8:55
En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf mannen.

3 Ezra 8:92
En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.

3 Ezra 9:16
En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.

3 Ezra 9:17
En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.

3 Ezra 9:40
En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende maand.

3 Ezra 9:41
En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.

4 Ezra 10:22
Ons snarenspel ligt daar neder, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaadheid geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongelingen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden.

4 Ezra 14:37
En ik nam de vijf mannen tot mij, gelijk hij mij bevolen had. en wij gingen naar het veld, en bleven daar.

4 Ezra 14:42
De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen der zinnen van mij werden gezegd, welke zij nochtans niet wisten.

4 Ezra 16:34
De maagden zullen treuren, omdat zij geen bruidegoms hebben; de vrouwen zullen treuren, omdat zij geen mannen hebben; haar dochters zullen treuren, omdat zij geen hulp hebben.

4 Ezra 16:35
Haar bruidegoms zullen in de krijg omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen.

Tobias (Tobit) 3:8
Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.

Tobias (Tobit) 3:9
En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?

Tobias (Tobit) 3:10
Gij hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.

Tobias (Tobit) 6:15
Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.

Tobias (Tobit) 7:11
Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:7
En Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns heren, en riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger der Assyriërs, en telde uitgelezen mannen tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard;

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 3:6
En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben zulks geboodschapt naar deze woorden.

Judith 3:8
En bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.

Judith 4:6
Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en het licht was te beletten degenen die opklimmen zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkander.

Judith 4:8
En al de mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten.

Judith 4:10
En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neder in het gezicht des tempels,

Judith 6:1
EN als het gemurmel der mannen, die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste des heerlegers der Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:

Judith 6:8
En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.

Judith 7:2
Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 10:4
En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 10:13
En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.

Judith 10:14
Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 11:7
En nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, dewijl zij waarachtig is.

Judith 13:14
En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.

Judith 14:2
En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.

Judith 14:8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,

Judith 15:3
En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare mannen van de kinderen Israëls.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:6
Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.

Judith 16:8
Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.

Jezus Sirach 9:20
Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.

Jezus Sirach 16:11
En alzo heeft de Here zeshonderd duizend mannen te voet, welke tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten, door ontferming en kastijding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende; indien dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.

Jezus Sirach 25:6
Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben tot raad?

Jezus Sirach 26:31
Als een krijgsman ten laatste armoe gaat lijden; en indien verstandige mannen als drek geacht worden;

Jezus Sirach 29:22
Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn gaan dwalen.

Jezus Sirach 41:11
Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.

Jezus Sirach 44:1
LAAT ons nu de heerlijke mannen prijzen, en onze vaderen van geslachten.

Jezus Sirach 44:3
Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn vermaarde mannen geweest in vermogen;

Jezus Sirach 44:7
Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen.

Jezus Sirach 44:11
Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid, welker gerechtigheden niet zijn vergeten.

Jezus Sirach 45:22
Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, met grimmigheid en toorn.

Baruch 1:15
En spreekt aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts, gelijk het te dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:

Baruch 2:1
EN de Here heeft zijn woord bevestigd, dat hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:19
En de koning zeide: Ik zie de voetstappen van mannen, en van vrouwen, en van kinderen.

1 Makkabeeën 1:36
En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk in dezelve.

1 Makkabeeën 2:18
Nu dan, komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des konings, gelijk al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw huis van des konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken.

1 Makkabeeën 2:31
En de mannen des konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.

1 Makkabeeën 2:44
En zij brachten hun macht te zamen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen vloden naar de heidenen om behouden te worden.

1 Makkabeeën 2:64
En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.

1 Makkabeeën 3:24
En zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent achthonderd mannen, en de overigen zijn gevloden naar het land der Filistijnen.

1 Makkabeeën 3:38
Lysias nu verkoor Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige mannen onder de vrienden des konings;

1 Makkabeeën 3:39
En zond met hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning.

1 Makkabeeën 3:58
En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.

1 Makkabeeën 4:2
Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.

1 Makkabeeën 4:8
Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.

1 Makkabeeën 4:28
En hij vergaderde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.

1 Makkabeeën 4:29
En zij, in Idumeä gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.

1 Makkabeeën 4:34
Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neder.

1 Makkabeeën 4:41
Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.

1 Makkabeeën 5:13
En al onze broeders, die in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield omtrent duizend mannen.

1 Makkabeeën 5:17
En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.

1 Makkabeeën 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.

1 Makkabeeën 5:59
En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.

1 Makkabeeën 5:62
Doch zij waren niet van het zaad van die mannen, door welker hand Israël behoudenis is gegeven.

1 Makkabeeën 6:35
En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden geordineerd bij elk beest.

1 Makkabeeën 6:37
En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.

1 Makkabeeën 6:42
En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van des konings leger zeshonderd mannen.

1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.

1 Makkabeeën 6:57
Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.

1 Makkabeeën 6:58
Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk.

1 Makkabeeën 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 Makkabeeën 7:5
En tot hem kwamen alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben.

1 Makkabeeën 7:16
En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:

1 Makkabeeën 7:19
En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.

1 Makkabeeën 7:24
Trok uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.

1 Makkabeeën 7:28
Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik uw aangezichten mag zien met vrede.

1 Makkabeeën 7:32
En daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.

1 Makkabeeën 9:5
En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem.

1 Makkabeeën 9:25
En Bacchides verkoor goddeloze mannen en stelde hen tot heren des lands.

1 Makkabeeën 9:61
En zij grepen van de mannen des lands, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.

1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

1 Makkabeeën 10:32
Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.

1 Makkabeeën 10:61
En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.

1 Makkabeeën 10:74
Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.

1 Makkabeeën 11:21
En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.

1 Makkabeeën 11:42
Gij zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.

1 Makkabeeën 11:43
En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.

1 Makkabeeën 12:1
Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.

1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.

1 Makkabeeën 13:10
En hij vergaderde alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom.

1 Makkabeeën 13:34
En Simon verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest.

1 Makkabeeën 13:48
En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.

1 Makkabeeën 14:23
En het heeft ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe verordineerd, opdat het volk der Spartiaten daarvan gedachtenis hebbe. En het afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.

1 Makkabeeën 14:32
Zo is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.

1 Makkabeeën 14:33
En versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen der vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse mannen tot bezetting.

1 Makkabeeën 14:37
En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.

1 Makkabeeën 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.

1 Makkabeeën 15:13
En Antiochus legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters.

1 Makkabeeën 15:26
En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele vaten.

1 Makkabeeën 16:4
En hij verkoos uit het land twintigduizend strijdbare mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin.

1 Makkabeeën 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.

1 Makkabeeën 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.

1 Makkabeeën 16:22
En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.

2 Makkabeeën 4:44
En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.

2 Makkabeeën 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.

2 Makkabeeën 5:13
En er geschiedde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood.

2 Makkabeeën 10:29
Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.

2 Makkabeeën 12:5
En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,

3 Makkabeeën 4:5
Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.

3 Makkabeeën 4:7
En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

3 Makkabeeën 7:13
En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.