Vindplaatsen van het woord maaier in het oude testament (4 verzen):
Psalmen 129:7
Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
Jesaja 17:5
Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraim.
Jeremia 9:22
Spreek: Zo spreekt de HEERE: Ja, een dood lichaam des mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die niemand opzamelt.
Amos 9:13
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat de ploeger den maaier, en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst