Vindplaatsen van het woord meer in de apocriefe geschriften (109 verzen):

3 Ezra 1:4
En zeide: Gij moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op IsraŽl zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen.

3 Ezra 1:24
En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen IsraŽl.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-SyriŽ en FeniciŽ.

3 Ezra 4:19
Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.

3 Ezra 4:42
Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden.

4 Ezra 1:21
Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanašnieten, Feresieten, en Filistijn heb ik van voor uw aanschijn uitgedrevan. Wat zou ik nog meer doen? spreekt de Here.

4 Ezra 2:6
Dat gij hen te schande brengt, en hun moeder ten roof, opdat zij niet meer voortgeteeld worden.

4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.

4 Ezra 4:45
Zo toon mij, of er meer staat te komen, dan er voorbijgegaan is, of dat meer voorbijgegaan is dan er toekomende is.

4 Ezra 4:50
En hij zeide tot mij: Denk bij u zelf, gelijk de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, doch de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.

4 Ezra 7:8
Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan.

4 Ezra 8:5
Want gij zijt overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven.

4 Ezra 8:15
En nu, Here, van alle mensen weet gij het best, maar veel meer zal ik spreken van uw volk, om hetwelk ik treurig ben,

4 Ezra 8:47
Want u ontbreekt nog veel, dat gij mijn schepsel zoudt liefhebben meer dan ik: doch ik ben u en hetzelve dikmaals genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.

4 Ezra 9:13
Zo dan, wees gij niet meer zorgvuldig hoe de goddelozen zullen gepijnigd worden; maar onderzoek hoe de rechtvaardigen, voor wie en om welke die wereld zal zijn, zullen zalig worden en wanneer.

4 Ezra 9:15
Dat er meer in getal zijn die verloren gaan, dan die behouden worden, gelijk de watergolf meerder is dan de droppel.

4 Ezra 9:35
Dat hetgeen gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en hetgeen daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons;

4 Ezra 10:11
Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar gij maar over ťťn zo droevig zijt.

4 Ezra 10:27
En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zeide:

4 Ezra 10:42
En nu ziet gij de gestalte der vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd.

4 Ezra 11:13
En het geschiedde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden.

4 Ezra 11:22
En ik zag daarna, en ziet de twaalf vederen werden niet meer gezien, noch de twee vederkens.

4 Ezra 11:23
En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.

4 Ezra 11:45
Daarom gij arend! verschijn niet meer, noch uw gruwelijke vleugelen, noch uw snode vederkens, noch uw boze hoofden, noch uw kwade klauwen, noch uw geheel onnut lichaam,

4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

4 Ezra 12:3
En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het gehele lichaam des arends werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het groot gewoel en de grote vrees uit de verdrukking mijner zinnen, en ik zeide tot mijn geest:

4 Ezra 12:5
Ziet, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.

4 Ezra 12:15
Want de tweede zal beginnen te heersen, en zal het meer tijds houden dan de andere twaalf.

4 Ezra 12:26
En dat gij gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, en nochtans met smarten.

4 Ezra 13:16
Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest.

4 Ezra 14:41
En mijn mond werd opgedaan, en werd niet meer toegedaan.

4 Ezra 15:10
Ziet mijn volk wordt als een kudde schapen ter slachting geleid, ik zal nu niet meer dulden dat het in Egypte wone.

4 Ezra 16:48
Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren,

4 Ezra 16:49
Hoe ik tegen hen meer zal ijveren om hunner zonden wil, spreekt de Here.

Tobias (Tobit) 1:18
En zijn handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar MediŽ reizen.

Tobias (Tobit) 3:16
Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge horen.

Tobias (Tobit) 3:23
Zo beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag horen.

Tobias (Tobit) 6:9
En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken RaguŽl wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 10:10
En Tobias zeide tot RaguŽl: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.

Tobias (Tobit) 12:21
En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar MediŽ, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in MediŽ zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.

Judith 7:13
En de kinderen IsraŽls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der AssyriŽrs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van BethuliŽ en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 8:20
Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.

Judith 8:26
En nu, bid gij voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.

Judith 16:30
En daar was niemand meer, die de kinderen IsraŽls enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.

Boek der Wijsheid 7:8
Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar.

Boek der Wijsheid 12:22
Ons dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten.

Boek der Wijsheid 14:24
Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar Úf de een brengt de ander om door list, Úf doet hem smart aan door overspel.

Boek der Wijsheid 17:13
Maar hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der oorzaak, welke die pijn meebrengt.

Jezus Sirach 3:20
Hoe groter gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.

Jezus Sirach 3:25
Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.

Jezus Sirach 4:11
En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.

Jezus Sirach 10:34
Die geŽerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeŽerd is, hoeveel te meer in ar moede.

Jezus Sirach 11:11
Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.

Jezus Sirach 13:11
Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

Jezus Sirach 17:23
Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.

Jezus Sirach 19:13
Bestraf uw vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe.

Jezus Sirach 21:1
MIJN kind, hebt gij gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.

Jezus Sirach 24:31
Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.

Jezus Sirach 28:11
Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.

Jezus Sirach 29:16
Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.

Jezus Sirach 34:25
Als de een bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?

Jezus Sirach 40:8
Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.

Jezus Sirach 40:19
Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.

Jezus Sirach 40:20
De fluit en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan beide.

Jezus Sirach 40:21
Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.

Jezus Sirach 40:22
Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.

Jezus Sirach 40:23
Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, maar een aalmoes verlost meer dan beide.

Jezus Sirach 40:24
Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.

Jezus Sirach 40:25
Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.

Jezus Sirach 41:15
Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten gouds.

Jezus Sirach 43:4
Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.

Jezus Sirach 43:35
Daar zijn nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.

Baruch 2:35
En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk IsraŽl niet meer verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.

Baruch 4:28
Want gelijk uw gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo doet tienmaal meer naarstigheid om, bekeerd zijnde, hem te zoeken.

Baruch 6:18
Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken, die aan het huis zijn;

Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.

1 MakkabeeŽn 5:44
En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad KarnaÔn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas.

1 MakkabeeŽn 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.

1 MakkabeeŽn 7:23
En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen IsraŽls deden meer dan de heidenen,

1 MakkabeeŽn 7:30
En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

1 MakkabeeŽn 9:33
En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het water van het meer Asfar.

1 MakkabeeŽn 9:55
En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.

1 MakkabeeŽn 11:66
Doch Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.

1 MakkabeeŽn 12:24
En Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,

1 MakkabeeŽn 13:39
Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen.

2 MakkabeeŽn 2:33
Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.

2 MakkabeeŽn 4:14
Zodat de priesters niet meer volvaardig waren om de dienst te doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de offeranden nalatende, benaarstigden zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden, nadat zij anderen beroepen hadden, om met de bal te spelen;

2 MakkabeeŽn 4:24
Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason.

2 MakkabeeŽn 6:23
Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.

2 MakkabeeŽn 9:13
En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees, aldus zeggende,

2 MakkabeeŽn 10:19
Zo liet MakkabeŁs, Simon en Jozef, en daarenboven ZacheŁs, en velen met hem om deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood hadden.

2 MakkabeeŽn 10:23
En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om meer dan twintigduizend mensen.

2 MakkabeeŽn 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiŽn, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.

2 MakkabeeŽn 12:19
DositheŁs en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die met MakkabeŁs waren, uittrekkende, vernielden van degenen, die van TimotheŁs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan tienduizend man.

2 MakkabeeŽn 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

2 MakkabeeŽn 14:3
En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden der vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot het heilig altaar,

2 MakkabeeŽn 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

3 MakkabeeŽn 1:5
En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging ArsinoŽ naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven.

3 MakkabeeŽn 3:1
En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen AlexandriŽ, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in ťťn plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.

3 MakkabeeŽn 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

3 MakkabeeŽn 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 MakkabeeŽn 6:28
Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val en ten grave bereid was, in verscheidene gezelschappen.

3 MakkabeeŽn 7:4
Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, gelijk slaven, ja veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.

3 MakkabeeŽn 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.