Vindplaatsen van het woord mensen in de apocriefe geschriften (146 verzen):
3 Ezra 2:28
Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan.
3 Ezra 3:19
O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;
3 Ezra 4:2
O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?
3 Ezra 4:14
O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.
3 Ezra 4:17
En zij zelf maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.
3 Ezra 4:37
De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.
3 Ezra 6:29
Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;
4 Ezra 5:12
Te dier tijd zullen de mensen hopen en niet verkrijgen; zij zullen arbeiden maar hun wegen zullen niet gericht worden.
4 Ezra 5:38
En ik sprak: O heersende Here, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.
4 Ezra 6:10
De hand des mensen is tussen de verzenen en de hand; anders zult gij nu niet vragen, Ezra.
4 Ezra 6:26
En de mensen, die aangenomen zijn, die de dood van hun geboorte aan niet gesmaakt hebben, zullen het zien; en het hart der inwoners zal veranderd, en in een andere zin gekeerd worden.
4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.
4 Ezra 7:29
En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.
4 Ezra 7:47
Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in droefheid, en als zij dood zijn de straf te verwachten?
4 Ezra 7:68
En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.
4 Ezra 8:15
En nu, Here, van alle mensen weet gij het best, maar veel meer zal ik spreken van uw volk, om hetwelk ik treurig ben,
4 Ezra 10:10
En uit haar zijn van den beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing.
4 Ezra 10:54
Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw eens mensen verdragen worden, waar de stad des Allerhoogsten zou begonnen vertoond te worden.
4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.
4 Ezra 13:13
En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; doch sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zeide:
4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.
4 Ezra 15:16
Want daar zal ongestadigheid zijn in de mensen, en de een zal de ander overweldigen, en zullen naar hun koning niet vragen, en de vorsten zullen de weg van hun handelingen naar hun geweld afmeten.
4 Ezra 15:18
Want vanwege hun hovaardij zullen de steden beroerd worden, de huizen zullen verstoord worden, en de mensen zullen vrezen.
4 Ezra 15:36
En de mest der mensen zal komen tot aan de gordel der kemelen, en daar zal grote vrees en beving zijn op aarde.
4 Ezra 16:33
En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelve zullen gaan.
4 Ezra 16:55
Ziet de Here kent alle daden en raadslagen der mensen, en hun gedachten, en hun harten.
4 Ezra 16:66
En gij zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag.
Tobias (Tobit) 8:6
Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij.
Judith 8:11
En nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der mensen.
Judith 8:13
Want de diepte van het hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?
Judith 8:15
Doch stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.
Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.
Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.
Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.
Boek der Wijsheid 3:4
Want of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd worden, zo is nochtans hun hoop vol onsterfelijkheid.
Boek der Wijsheid 4:1
BETER is het onder kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve, dewijl zij beide bij God en bij de mensen gekend wordt.
Boek der Wijsheid 4:9
Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.
Boek der Wijsheid 7:6
Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.
Boek der Wijsheid 7:14
Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap bij God, en zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.
Boek der Wijsheid 7:20
De natuur der dieren, en de grimmigheid der wilde dieren, het geweld der winden, en de overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.
Boek der Wijsheid 9:6
Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.
Boek der Wijsheid 9:13
Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie kan bedenken wat God wil?
Boek der Wijsheid 9:14
Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.
Boek der Wijsheid 9:18
En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.
Boek der Wijsheid 11:24
Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
Boek der Wijsheid 12:8
Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.
Boek der Wijsheid 12:12
Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?
Boek der Wijsheid 12:19
Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.
Boek der Wijsheid 13:1
VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.
Boek der Wijsheid 13:10
Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.
Boek der Wijsheid 14:5
Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de baren, worden door een schip behouden.
Boek der Wijsheid 14:11
Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.
Boek der Wijsheid 14:14
Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden.
Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.
Boek der Wijsheid 14:21
En dit is tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt worden.
Boek der Wijsheid 15:4
Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.
Boek der Wijsheid 15:6
Zulke mensen zijn beminnaars van kwade dingen, en zodanige hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren.
Jezus Sirach 1:14
Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.
Jezus Sirach 1:29
Maar de geveinsden niet met monden der mensen: en neem acht op uw lippen.
Jezus Sirach 2:5
Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven der vernedering.
Jezus Sirach 2:22
Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.
Jezus Sirach 3:9
Opdat zegening van mensen over u kome.
Jezus Sirach 3:12
Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.
Jezus Sirach 3:19
Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind worden.
Jezus Sirach 3:25
Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.
Jezus Sirach 5:15
Eer en oneer is in het spreken, en des mensen tong brengt hem ten val.
Jezus Sirach 10:5
In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.
Jezus Sirach 10:7
Hovaardigheid is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad der ongerechtigheid.
Jezus Sirach 10:21
De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.
Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.
Jezus Sirach 13:30
Het hart des mensen verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht.
Jezus Sirach 15:7
Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.
Jezus Sirach 15:19
En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.
Jezus Sirach 17:26
Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon onsterfelijk is.
Jezus Sirach 17:28
Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, en alle mensen zijn maar aarde en as.
Jezus Sirach 18:8
Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.
Jezus Sirach 19:28
De kleding des mans, en het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen wat hij voor een is.
Jezus Sirach 20:15
Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.
Jezus Sirach 20:18
Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig komen.
Jezus Sirach 21:3
Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.
Jezus Sirach 21:27
Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.
Jezus Sirach 23:19
Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mede.
Jezus Sirach 23:24
Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn vrees;
Jezus Sirach 23:26
Welke zien op alle wegen der mensen, en merken op de verborgene delen.
Jezus Sirach 25:1
DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.
Jezus Sirach 25:3
Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:
Jezus Sirach 26:29
Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.
Jezus Sirach 27:4
Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.
Jezus Sirach 27:6
Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.
Jezus Sirach 27:7
Prijs niemand eer hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.
Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.
Jezus Sirach 30:22
Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.
Jezus Sirach 31:30
De wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig drinkt.
Jezus Sirach 31:31
Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.
Jezus Sirach 33:10
En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.
Jezus Sirach 35:21
Totdat hij de mens vergelde naar zijn handelingen, en de werken der mensen naar hun gedachten.
Jezus Sirach 36:24
De schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust des mensen te boven.
Jezus Sirach 38:6
Hij heeft de mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te worden.
Jezus Sirach 39:5
Het land van vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd.
Jezus Sirach 39:29
Goede dingen zijn in het begin voor de goede mensen geschapen, zo de kwade dingen voor de zondaars.
Jezus Sirach 39:30
Het voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, en olie, en een kleed.
Jezus Sirach 41:14
De mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, doch de boze naam der mensen zal uitgewist worden.
Jezus Sirach 41:30
Gij zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen.
Jezus Sirach 44:24
En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.
Jezus Sirach 45:1
NAMELIJK Mozes, door God en de mensen bemind, wiens gedachtenis is in zegening.
Jezus Sirach 49:19
Sem en Seth zijn verheerlijkt geweest onder de mensen, en Adam boven alles in de schepping.
Jezus Sirach 51:9
Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was geen.
Baruch 3:17
Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.
Baruch 3:37
Hij heeft al de weg der wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mede verkeerd.
Baruch 6:10
En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, met klederen als mensen.
Baruch 6:25
Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, ver tonende zo de mensen hun oneer.
Baruch 6:52
Want zij kunnen geen koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.
Baruch 6:63
Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.
Esther (apocr.) 13:2
Daar ik over vele volken heers, en de gehele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen mijner macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weder vernieuwen.
Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;
Esther (apocr.) 16:4
En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht der ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvlieden.
Esther (apocr.) 16:8
Daarom moeten wij acht nemen op het toekomende, dat wij ons koninkrijk voor alle mensen onberoerd en in vrede mogen richten;
Esther (apocr.) 16:24
Doch alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur gans verdelgd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogelen voor altijd vijand gemaakt worden.
Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:82
Gij kinderen der mensen looft de Here, prijst en roemt hem in der eeuwigheid.
Gebed van Manasse 1:6
Maar de barmhartigheid uwer beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want gij, Here, zijt de Allerhoogste, gij zijt lankmoedig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt u over de kinderen der mensen.
1 Makkabeeën 1:25
En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.
1 Makkabeeën 2:38
En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen der mensen.
1 Makkabeeën 9:2
En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden zich te Masaloth, hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen van mensen.
1 Makkabeeën 11:4
En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.
1 Makkabeeën 12:54
Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen uitroeien.
1 Makkabeeën 15:21
Indien er dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.
2 Makkabeeën 6:26
Want indien ik voor het tegenwoordige zou verlost worden van de straf der mensen, zo zou ik nochtans niet ontvlieden, noch levende noch stervende, de handen van de Almachtige.
2 Makkabeeën 7:14
En als hij sterven zou, sprak hij aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden, doch voor u zal geen opstanding ten leven zijn.
2 Makkabeeën 7:16
Gij hebt macht onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk zijt, zo doet gij nochtans wat gij wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is.
2 Makkabeeën 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.
2 Makkabeeën 7:34
Maar gij goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.
2 Makkabeeën 8:2
En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;
2 Makkabeeën 10:23
En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om meer dan twintigduizend mensen.
2 Makkabeeën 11:9
En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken.
2 Makkabeeën 12:15
Doch die met Judas waren, aanroepende de grote prins der wereld, die zonder stormrammen en andere instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen.
3 Makkabeeën 1:25
Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.
3 Makkabeeën 2:13
Want tot uw woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.
3 Makkabeeën 2:14
Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.
3 Makkabeeën 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.
3 Makkabeeën 3:4
Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal ruchtbaar, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.
3 Makkabeeën 3:5
Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed geschied was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop geschiedde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),
3 Makkabeeën 3:13
Daar zij nochtans onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.
3 Makkabeeën 3:17
Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat dezen op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.
3 Makkabeeën 5:30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.
3 Makkabeeën 6:24
Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen?
3 Makkabeeën 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst