Vindplaatsen van het woord met in de apocriefe geschriften (1087 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):

3 Ezra 1:2
En stelde de priesters, die met lange klederen waren aangedaan, naar hun dagordening in de tempel des Heren.

3 Ezra 1:12
En zij braadden het Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde, en offeranden kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;

3 Ezra 1:23
En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.

3 Ezra 1:26
En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?

3 Ezra 1:32
En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.

3 Ezra 1:40
Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.

3 Ezra 1:45
En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;

3 Ezra 1:53
Die doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch ouden, noch jongen.

3 Ezra 1:55
En verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.

3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.

3 Ezra 2:7
Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.

3 Ezra 2:9
En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe verwekt is.

3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.

3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

3 Ezra 2:20
Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.

3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:

3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;

3 Ezra 4:19
Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.

3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 4:47
Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.

3 Ezra 4:48
En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.

3 Ezra 4:53
En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.

3 Ezra 4:63
Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang.

3 Ezra 5:1
DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.

3 Ezra 5:2
En Darius zond met hen duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,

3 Ezra 5:3
(En al hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.

3 Ezra 5:8
En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.

3 Ezra 5:9
Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.

3 Ezra 5:24
De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.

3 Ezra 5:40
En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.

3 Ezra 5:48
En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders stonden op.

3 Ezra 5:50
En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 5:59
En de bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de priesters stonden in lange klederen met snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.

3 Ezra 5:61
En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is tot in der eeuwigheid, over geheel Israël.

3 Ezra 5:62
En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende de Here, over de oprichting van het huis des Heren.

3 Ezra 5:64
Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien en met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde in grote stem.

3 Ezra 5:68
En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.

3 Ezra 6:9
In de stad Jeruzalem bouwende waren een nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;

3 Ezra 6:10
En dat deze werken met vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.

3 Ezra 6:22
En indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo antwoordde bij ons daarvan.

3 Ezra 6:25
Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis Cyrus de koning.

3 Ezra 6:29
Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;

3 Ezra 7:4
En zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.

3 Ezra 7:9
En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over de werken des Heren, de God Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan elke poort.

3 Ezra 8:5
En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaars des heiligdoms.

3 Ezra 8:11
Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.

3 Ezra 8:15
Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.

3 Ezra 8:17
En alles wat gij en uw broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.

3 Ezra 8:22
Tot honderd talenten zilvers toe, desgelijks tot honderd mudden koorn, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte.

3 Ezra 8:27
En al die de wet uws Gods en des konings overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.

3 Ezra 8:30
En ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.

3 Ezra 8:31
En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.

3 Ezra 8:33
Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.

3 Ezra 8:34
Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.

3 Ezra 8:35
Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.

3 Ezra 8:36
Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.

3 Ezra 8:37
Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:38
Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.

3 Ezra 8:39
Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.

3 Ezra 8:40
Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.

3 Ezra 8:41
Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.

3 Ezra 8:42
Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:55
En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf mannen.

3 Ezra 8:64
En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;

3 Ezra 8:71
Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.

3 Ezra 8:78
En om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.

3 Ezra 8:84
Het land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.

3 Ezra 8:86
En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.

3 Ezra 8:88
Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.

3 Ezra 8:94
En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.

3 Ezra 8:96
Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.

3 Ezra 9:10
Toen riep de ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:

3 Ezra 9:16
En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.

3 Ezra 9:36
Deze allen hadden uitlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.

4 Ezra 1:10
Ik heb vele koningen om hunnentwil uitgeroeid; ik heb Farao met zijn knechten, en zijn gehele leger geslagen.

4 Ezra 1:19
Toen had ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot spijs gegeven; gij hebt der engelen brood gegeten.

4 Ezra 1:20
Heb ik niet, als u dorstte, de rots opengehouwen? en de wateren zijn daaruit gevloten tot verzadiging; voor de hitte heb ik u met bladeren der bomen gedekt.

4 Ezra 1:26
Wanneer gij mij zult aanroepen, zo zal ik u niet verhoren, want gij hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan.

4 Ezra 1:37
Ik betuig van de genade van het komende volk, wiens kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, welke mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven hetgeen ik gezegd heb.

4 Ezra 2:3
Met vreugde heb ik u opgevoed, en ik heb u met rouw en droefheid verloren: want gij hebt gezondigd voor de Here uw God, en hebt kwaad voor hem gedaan.

4 Ezra 2:15
Gij moeder! omhels uw kinderen; voed die op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want ik heb u verkoren, spreekt de Here.

4 Ezra 2:18
Ik zal u mijn knechten Jesaja en Jeremia tot een hulp zenden: naar wier raad ik voor u geheiligd en bereid heb twaalf bomen met verscheidene vruchten beladen;

4 Ezra 2:19
En zoveel fonteinen die met melk en honig vlieten; en zeven grote bergen, die rozen en leliën hebben, op welk ik uw kinderen met blijdschap zal vervullen.

4 Ezra 2:21
Heel de verwonden en kranken; en spot niet met de kreupelen; bescherm de verlamden; en laat de blinden komen tot het gezicht mijner klaarheid.

4 Ezra 2:30
Vervrolijk u, gij moeder met uw kinderen, want ik zal u verlossen, spreekt de Here:

4 Ezra 2:42
Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen de Here met lofzangen;

4 Ezra 3:3
En mijn geest werd zeer bewogen; en ik begon tot de allerhoogste met vrees te spreken, en ik zeide:

4 Ezra 3:11
Doch gij liet één uit hen overblijven, namelijk Noach met zijn huisgezin, en uit hem zijn alle rechtvaardigen.

4 Ezra 3:15
En gij hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat gij zijn zaad nimmermeer zoudt verlaten; deze hebt gij gegeven Izaäk, en Izaäk hebt gij gegeven Jakob en Ezau.

4 Ezra 3:22
En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart des volks, en met de boosheid van de wortel, en hetgeen goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven.

4 Ezra 3:23
Alzo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en gij verwektet u een knecht, met name David.

4 Ezra 3:36
Deze zult gij wel met namen vinden, dat zij uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult gij hen niet vinden.

4 Ezra 4:10
En hij zeide tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgewassen, kunt gij niet kennen,

4 Ezra 4:25
Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.

4 Ezra 4:37
En hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, totdat de voorzegde maat vervuld is.

4 Ezra 4:49
Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over.

4 Ezra 5:9
En in de zoete wateren zullen zoute gevonden worden, en alle vrienden zullen elkander met krijg overvallen, dan zal de kennis verborgen zijn, en het verstand zal zich verbergen in zijn binnenkameren.

4 Ezra 5:15
Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten.

4 Ezra 5:42
En hij zeide tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; gelijk de laatste geen vertraging is, alzo is de eerste geen verhaasting.

4 Ezra 6:19
En dat ik van hen zal beginnen te onderzoeken, wie met hun ongerechtigheid anderen onrechtvaardig zullen hebben beledigd, en wanneer de vernedering Sions zal vervuld zijn.

4 Ezra 6:21
En kinderen van één jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden,

4 Ezra 6:23
En de bazuin zal met een geluid slaan, welke als allen het zullen gehoord hebben, zo zullen zij verschrikt worden.

4 Ezra 6:24
En het zal te dien tijde geschieden, dat de vrienden hun vrienden zullen beoorlogen als vijanden, en het aardrijk zal met hen verschrikken; en de aderen der fonteinen zullen stilstaan en zullen in drie uren niet lopen.

4 Ezra 6:29
En het geschiedde, toen hij met mij sprak, dat ik hem allengskens aanzag, voor wie ik stond.

4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.

4 Ezra 6:56
Doch de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt gij gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt gij vergeleken met de druppel, die van een vat valt.

4 Ezra 6:59
Is de wereld nu om onzentwil geschapen, waarom bezitten wij dan niet een erve met de wereld? hoe lang zal dit zijn?

4 Ezra 7:12
En de ingangen dezer wereld zijn eng geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet.

4 Ezra 7:26
Ziet, de tijd zal komen, en het zal geschieden, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is.

4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

4 Ezra 7:32
En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

4 Ezra 7:67
Want zo hij zijn menigvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.

4 Ezra 8:2
Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.

4 Ezra 8:9
Hetzelve nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkander bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te harer tijd weder hetgeen in haar gewassen is.

4 Ezra 8:14
Indien gij dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden worde hetgeen gemaakt is.

4 Ezra 8:22
Wier opmerking zich keert met wind en vuur; wiens woord waarachtig, en wiens redenen standvastig zijn;

4 Ezra 8:24
Verhoor het gebed uws dienaars, en vat met uw oren de smeking van uw maaksel.

4 Ezra 8:27
En let niet op het goddeloze der heidenen, maar op degenen, die uw getuigenissen met smarten onderhouden.

4 Ezra 8:57
Daarenboven hebben zij de rechtvaardigen met voeten vertreden.

4 Ezra 9:22
Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt.

4 Ezra 9:25
En bid de Allerhoogste zonder ophouden, zo zal ik komen en met u spreken.

4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.

4 Ezra 9:46
En ik voedde hem op met grote arbeid.

4 Ezra 10:5
Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met gramschap tot haar, en zeide:

4 Ezra 10:7
Want Sion onze moeder is met allerlei droefheid bedroefd, en met nederheid vernederd, en is gans zeer treurig.

4 Ezra 10:12
Indien gij nu tot mij zegt: Mijn treuren is niet aan dat der aarde gelijk; want ik heb de vrucht mijns lijfs verloren, die ik met smarten gebaard en met droefheid voortgebracht heb,

4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.

4 Ezra 10:19
Toen sprak ik verder met haar en zeide:

4 Ezra 10:25
En het is geschied, toen ik met haar sprak, dat haar aangezicht en gedaante haastig blinkende werd, en haar gezicht werd glinsterend, zodat ik voor haar vreesde, en dacht wat dat zijn mocht.

4 Ezra 10:27
En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zeide:

4 Ezra 10:47
En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem.

4 Ezra 11:4
Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.

4 Ezra 11:5
En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.

4 Ezra 11:19
En zo ging het met al de andere, dat zij elk in het bijzonder de heerschappij voerden, en weder verdwenen.

4 Ezra 11:31
En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.

4 Ezra 11:32
Dat hoofd nu verschrikte het ganse aardrijk, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugelen, die daar geweest waren.

4 Ezra 11:40
En hetwelk, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en het ganse aardrijk met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond?

4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

4 Ezra 12:26
En dat gij gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, en nochtans met smarten.

4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.

4 Ezra 12:44
Indien gij ons dan verlaat, hoe veel beter ware het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren?

4 Ezra 12:45
Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij weenden met luider stem.

4 Ezra 13:3
En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden des hemels, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.

4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.

4 Ezra 13:13
En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; doch sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zeide:

4 Ezra 13:20
Maar nochtans, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste geschieden zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zeide tot mij:

4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

4 Ezra 13:58
En dat hij de tijd, met hetgeen in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat aldaar drie dagen.

4 Ezra 14:3
In het doornbos ben ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als mijn volk in Egypte dienstbaar was.

4 Ezra 14:9
Want gij zult weggenomen worden van onder allen, en zult voortaan verkeren met mijn raad, en met uws gelijken totdat de tijden geëindigd zijn.

4 Ezra 14:24
Maar gij, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en Asiël, deze vijf, welke bereid zijn om snel te schrijven;

4 Ezra 14:40
En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen.

4 Ezra 15:11
Maar ik zal het uitvoeren met een geweldige hand, en een verheven arm: en ik zal dat land met plagen slaan als tevoren, en ik zal al hetzelve verderven.

4 Ezra 15:12
Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelve brengen zal.

4 Ezra 15:19
De ene mens zal met de andere geen medelijden hebben, om hun huizen teniet te doen door het zwaard, en om hun goederen te roven, vanwege de honger naar brood, en de velerlei benauwdheid.

4 Ezra 15:29
Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagenen, en gelijk als een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;

4 Ezra 15:30
Namelijk de Karmaniërs razende in hun toorn, en zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos: en zullen aankomen met grote kracht, en zullen tegen hen in de krijg staan, en zullen een deel van het land der Assyriërs verwoesten.

4 Ezra 15:31
En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en tezamen spannen om met grote kracht die te vervolgen.

4 Ezra 15:39
En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oosten wind en westenwind.

4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;

4 Ezra 15:47
Wee u, gij ellendige, overmits gij u haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochteren versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar boelen, die met u altijd begeerd hebben te hoereren.

4 Ezra 15:62
En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden.

4 Ezra 16:12
Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.

4 Ezra 16:32
Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken.

4 Ezra 16:33
En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelve zullen gaan.

4 Ezra 16:48
Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren,

4 Ezra 16:70
En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding.

4 Ezra 16:78
Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.

Tobias (Tobit) 1:3
Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens gewandeld in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het land der Assyriërs, naar Nineve.

Tobias (Tobit) 1:6
En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, voor het altaar.

Tobias (Tobit) 1:13
Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.

Tobias (Tobit) 2:5
En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.

Tobias (Tobit) 3:1
TOEN werd ik droevig, en weende, en bad met smarten en sprak:

Tobias (Tobit) 3:5
En nu Here uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden, overmits wij uw geboden niet hebben gedaan, want wij hebben niet oprechtelijk voor u gewandeld.

Tobias (Tobit) 3:6
En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.

Tobias (Tobit) 3:11
Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 3:12
Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.

Tobias (Tobit) 4:6
Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.

Tobias (Tobit) 4:16
Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.

Tobias (Tobit) 5:4
Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.

Tobias (Tobit) 5:7
En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië?

Tobias (Tobit) 5:9
En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.

Tobias (Tobit) 5:11
En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.

Tobias (Tobit) 5:14
En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 5:25
En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?

Tobias (Tobit) 5:29
Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.

Tobias (Tobit) 6:10
En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 6:22
En vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.

Tobias (Tobit) 8:8
Beveel dan dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:17
En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft volbracht zouden zijn.

Tobias (Tobit) 8:18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,

Tobias (Tobit) 9:3
Neem met u een jongen, en twee kemels, en trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.

Tobias (Tobit) 10:11
En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.

Tobias (Tobit) 11:7
Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.

Tobias (Tobit) 11:20
En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde.

Tobias (Tobit) 12:1
EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.

Tobias (Tobit) 12:9
Het gebed met vasten, en aalmoezen, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid, dan veel met ongerechtigheid. Het is beter aalmoezen te doen, dan goud tot een schat vergaderen. Want aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die aalmoezen en gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden.

Tobias (Tobit) 12:13
En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.

Tobias (Tobit) 13:4
Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;

Tobias (Tobit) 13:5
En zult hem danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid loven, en zult de Koning der eeuwigheid verheffen.

Tobias (Tobit) 13:8
Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels loven, en zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen.

Tobias (Tobit) 13:11
Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd worden;

Tobias (Tobit) 13:18
Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd worden;

Tobias (Tobit) 13:19
En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud.

Tobias (Tobit) 13:20
En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Tobias (Tobit) 14:9
En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker geschieden, die de profeet Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en zijt rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.

Tobias (Tobit) 14:14
En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.

Tobias (Tobit) 14:15
En kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns vaders Tobias.

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:12
En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeën.

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 1:15
En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Judith 2:2
En hij riep al zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 3:1
EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:

Judith 3:3
Doe met ons, gelijk het u behaagt.

Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.

Judith 3:7
En hij met zijn heerkracht trok af naar de zeekant,

Judith 3:9
En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels.

Judith 4:8
En al de mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten.

Judith 4:11
En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aanschijn des Heren.

Judith 4:12
En zij bekleedden het altaar met een zak.

Judith 4:13
En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.

Judith 4:16
En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.

Judith 5:11
En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.

Judith 5:19
En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.

Judith 6:4
En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.

Judith 6:6
En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.

Judith 6:8
En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.

Judith 7:7
En kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar zijn volk.

Judith 7:12
En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:16
Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.

Judith 7:18
En daar rees een groot en eendrachtig geschrei van allen in het midden der vergadering, en zij riepen tot God de Here met luider stem.

Judith 8:5
En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen ener weduwe.

Judith 8:17
Dewijl in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.

Judith 8:18
Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.

Judith 8:22
Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.

Judith 9:1
EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:

Judith 9:2
Here, gij God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.

Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.

Judith 9:7
Breek gij hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte ter neder in uw toorn;

Judith 9:9
En te bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.

Judith 9:13
Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 10:5
En zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 11:4
En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En indien gij de woorden uwer dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.

Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.

Judith 11:11
Zij hebben ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes Gods staan, welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt aan te raken.

Judith 11:13
Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.

Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.

Judith 11:16
En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;

Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.

Judith 12:11
Want zie, het is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 12:17
En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.

Judith 13:4
Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten.

Judith 13:9
En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.

Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.

Judith 13:17
Maar zij sprak tot hen met luider stem:

Judith 13:20
En zo waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan.

Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,

Judith 14:14
En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.

Judith 15:6
En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,

Judith 15:9
En Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:2
En Judith zeide: Begint de lof mijns Heren met tambourijn; zing mijn Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verheft, en roept zijn naam aan.

Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.

Judith 16:10
Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.

Judith 16:18
Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van uw aangezicht, gelijk was, versmelten.

Boek der Wijsheid 1:4
Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.

Boek der Wijsheid 1:6
Want de wijsheid is een menslievende geest, doch zal niet onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.

Boek der Wijsheid 1:16
Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.

Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.

Boek der Wijsheid 2:7
Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.

Boek der Wijsheid 2:8
Laat ons ons kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.

Boek der Wijsheid 2:19
Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat wij zijn bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven.

Boek der Wijsheid 3:14
En de gesnedene is zalig die geen onrecht met zijn hand gewrocht, noch boze dingen tegen de Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot in de tempel des Heren.

Boek der Wijsheid 4:8
Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten wordt.

Boek der Wijsheid 5:1
DAN zal de rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht dergenen, die hem verdrukt en zijn moeiten verworpen hebben.

Boek der Wijsheid 5:2
En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.

Boek der Wijsheid 5:8
Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?

Boek der Wijsheid 5:17
Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.

Boek der Wijsheid 5:21
En zal de gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen.

Boek der Wijsheid 6:16
Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.

Boek der Wijsheid 6:23
En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben.

Boek der Wijsheid 7:2
En ben in het lichaam mijner moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde in bloed tezamen geronnen uit zaad eens mans, en wellust die daarbij komt met de slaap.

Boek der Wijsheid 7:3
En ik heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest, gelijk van alle anderen.

Boek der Wijsheid 7:4
In windselen ben ik opgevoed en met zorgen.

Boek der Wijsheid 7:8
Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar.

Boek der Wijsheid 7:11
En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen.

Boek der Wijsheid 8:3
Zij maakt haar adellijke afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en de Here aller dingen heeft haar lief.

Boek der Wijsheid 8:9
Zo heb Ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, in zorg en droefheid.

Boek der Wijsheid 8:16
Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.

Boek der Wijsheid 8:18
En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.

Boek der Wijsheid 9:10
Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.

Boek der Wijsheid 9:16
En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?

Boek der Wijsheid 10:3
Van welke de onrechtvaardige, afvallig geworden zijnde door zijn toorn, is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot zijns broeders moord.

Boek der Wijsheid 10:4
En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout.

Boek der Wijsheid 10:13
Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.

Boek der Wijsheid 10:16
Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond de vreselijke koningen met wonderen en tekenen.

Boek der Wijsheid 11:13
Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan waren.

Boek der Wijsheid 12:6
En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.

Boek der Wijsheid 12:9
Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

Boek der Wijsheid 12:18
Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.

Boek der Wijsheid 12:20
Want indien gij de vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;

Boek der Wijsheid 12:21
Met hoe grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?

Boek der Wijsheid 13:7
Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.

Boek der Wijsheid 13:13
En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.

Boek der Wijsheid 13:14
Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren.

Boek der Wijsheid 13:15
En hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,

Boek der Wijsheid 13:19
En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.

Boek der Wijsheid 14:8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.

Boek der Wijsheid 14:10
En daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden.

Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.

Boek der Wijsheid 14:30
Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.

Boek der Wijsheid 15:4
Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.

Boek der Wijsheid 15:7
Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.

Boek der Wijsheid 15:8
Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit datzelfde leem, daar hij weinig tijds tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.

Boek der Wijsheid 15:9
Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.

Boek der Wijsheid 15:17
Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.

Boek der Wijsheid 16:11
Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.

Boek der Wijsheid 16:20
Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.

Boek der Wijsheid 17:4
Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen gedruis en droevige spokerijen met afschuwelijke aangezichten verschenen hun.

Boek der Wijsheid 17:18
Want zij waren allen met een keten der duisternis gebonden.

Boek der Wijsheid 17:19
Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.

Boek der Wijsheid 17:20
Want de gehele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden.

Boek der Wijsheid 18:2
En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.

Boek der Wijsheid 18:9
Want de heilige kinderen der vromen offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen beide derzelver goederen en gevaren tegelijk deelachtig zouden worden, zingende reeds tevoren de lof der vaderen.

Boek der Wijsheid 18:11
En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gemene man moest met de koning hetzelfde lijden.

Boek der Wijsheid 18:16
Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.

Boek der Wijsheid 18:22
En hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.

Boek der Wijsheid 18:23
Want als nu reeds de doden met hopen over elkander gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.

Boek der Wijsheid 19:2
Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.

Boek der Wijsheid 19:3
Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.

Boek der Wijsheid 19:8
Waardoor al het volk overging, die met uw hand beschermd werden, en zagen wonderlijke wonderwerken.

Boek der Wijsheid 19:15
En zij plaagden met zware arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds medegenoten waren van hun rechten.

Boek der Wijsheid 19:16
Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.

Jezus Sirach 1:1
ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.

Jezus Sirach 1:13
Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen geschapen in 's moeders lichaam.

Jezus Sirach 1:16
Haar gehele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;

Jezus Sirach 1:28
Als gij behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.

Jezus Sirach 1:29
Maar de geveinsden niet met monden der mensen: en neem acht op uw lippen.

Jezus Sirach 1:32
Omdat gij tot de vreze des Heren niet met waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.

Jezus Sirach 3:8
Eer uw vader en moeder met werken en woorden,

Jezus Sirach 3:14
Indien hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.

Jezus Sirach 3:19
Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind worden.

Jezus Sirach 3:24
Want het is u niet van node, verborgen dingen met ogen te zien.

Jezus Sirach 3:28
Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.

Jezus Sirach 4:8
Neig uw oor tot de arme, zonder droefheid; en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid.

Jezus Sirach 4:13
Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.

Jezus Sirach 4:18
Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.

Jezus Sirach 4:19
Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;

Jezus Sirach 4:34
Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.

Jezus Sirach 4:35
Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld is.

Jezus Sirach 5:13
Zijt ras om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord met lankmoedigheid.

Jezus Sirach 5:16
Laat u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.

Jezus Sirach 6:6
Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.

Jezus Sirach 6:9
Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.

Jezus Sirach 6:27
Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.

Jezus Sirach 7:29
Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.

Jezus Sirach 7:36
Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

Jezus Sirach 8:1
STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet misschien in zijn handen valt.

Jezus Sirach 8:2
Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.

Jezus Sirach 8:4
Strijd niet met een klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn vuur.

Jezus Sirach 8:5
Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.

Jezus Sirach 8:20
Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.

Jezus Sirach 9:4
Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 9:11
En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.

Jezus Sirach 9:13
Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging.

Jezus Sirach 9:19
Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 10:17
De Here rukt de wortelen der hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid.

Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.

Jezus Sirach 11:10
Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.

Jezus Sirach 11:16
Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.

Jezus Sirach 12:13
Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.

Jezus Sirach 12:15
En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.

Jezus Sirach 12:16
Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed.

Jezus Sirach 12:18
Hij zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.

Jezus Sirach 13:1
DIE pek aanroert, wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.

Jezus Sirach 13:2
Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan gij.

Jezus Sirach 13:3
Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.

Jezus Sirach 13:6
Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

Jezus Sirach 13:7
Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

Jezus Sirach 13:8
Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.

Jezus Sirach 13:13
Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

Jezus Sirach 13:15
Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij hem hoort, want gij wandelt met uw val.

Jezus Sirach 13:20
Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die de Here vreest.

Jezus Sirach 13:21
Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme?

Jezus Sirach 13:31
Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.

Jezus Sirach 14:1
ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.

Jezus Sirach 14:8
Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht de zielen.

Jezus Sirach 14:9
Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.

Jezus Sirach 14:19
Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.

Jezus Sirach 14:20
Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.

Jezus Sirach 14:21
Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt.

Jezus Sirach 15:3
Zij zal hem spijzen met brood des verstands, en met water der wijsheid zal zij hem drenken.

Jezus Sirach 15:10
Want met wijsheid zal lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.

Jezus Sirach 16:5
Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen zal haastig woest worden.

Jezus Sirach 16:14
De zondaar zal niet ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.

Jezus Sirach 16:15
Maak plaats voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.

Jezus Sirach 16:24
Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.

Jezus Sirach 16:25
Ik zal onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen met naarstigheid.

Jezus Sirach 16:29
En na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen.

Jezus Sirach 17:3
Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.

Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.

Jezus Sirach 17:10
Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 18:15
Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.

Jezus Sirach 19:6
Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid.

Jezus Sirach 19:16
Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?

Jezus Sirach 20:12
De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.

Jezus Sirach 20:17
Hoe menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen met geen rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.

Jezus Sirach 21:8
Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.

Jezus Sirach 21:9
Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen vergadert tot een tombe op zijn graf.

Jezus Sirach 22:14
Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.

Jezus Sirach 23:9
Want gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.

Jezus Sirach 23:12
En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.

Jezus Sirach 23:13
Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.

Jezus Sirach 23:21
Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses hoererij bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.

Jezus Sirach 24:21
En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.

Jezus Sirach 24:27
Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.

Jezus Sirach 25:9
Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:

Jezus Sirach 25:11
Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die zijns niet waardig is.

Jezus Sirach 26:2
Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens met vrede.

Jezus Sirach 26:7
Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.

Jezus Sirach 27:23
Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.

Jezus Sirach 28:18
Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.

Jezus Sirach 28:22
Die haar juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest.

Jezus Sirach 28:28
Zie toe, omtuin hetgeen gij bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendelen.

Jezus Sirach 29:1
WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.

Jezus Sirach 29:9
Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.

Jezus Sirach 29:11
Evenwel in de vernedering uws naasten zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.

Jezus Sirach 30:9
Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.

Jezus Sirach 30:10
Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.

Jezus Sirach 31:3
De rijke bemoeit zich met veel geld te vergaderen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.

Jezus Sirach 31:16
Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.

Jezus Sirach 31:21
Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.

Jezus Sirach 31:23
En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.

Jezus Sirach 32:4
Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.

Jezus Sirach 32:9
Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden veel; wees gelijk als een die verstaat en evenwel zwijgt.

Jezus Sirach 32:13
Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.

Jezus Sirach 34:28
Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?

Jezus Sirach 35:8
Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder de eerstelingen uwer handen niet.

Jezus Sirach 35:9
Heb een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging.

Jezus Sirach 35:10
Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.

Jezus Sirach 35:12
Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer.

Jezus Sirach 35:17
Die God dient met welbehagen zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.

Jezus Sirach 36:16
Vervul Sion om uw woorden te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.

Jezus Sirach 37:1
IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.

Jezus Sirach 37:3
O boze gedachte, vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken?

Jezus Sirach 37:4
Een metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn.

Jezus Sirach 37:5
Een metgezel arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, en neemt een schild tegen de vijand.

Jezus Sirach 37:7
Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden.

Jezus Sirach 37:11
Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden;

Jezus Sirach 37:12
Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid.

Jezus Sirach 37:13
Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.

Jezus Sirach 37:21
Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.

Jezus Sirach 37:25
Een wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen.

Jezus Sirach 38:1
EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.

Jezus Sirach 38:28
Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.

Jezus Sirach 38:29
Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.

Jezus Sirach 38:31
Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.

Jezus Sirach 38:34
Desgelijks een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal.

Jezus Sirach 38:35
Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.

Jezus Sirach 39:2
De vertelling der vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij met hen om.

Jezus Sirach 39:8
Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands vervuld worden.

Jezus Sirach 39:19
Looft de Here over al zijn werken met gezang der lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:

Jezus Sirach 39:40
En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft de naam des Heren.

Jezus Sirach 40:4
Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.

Jezus Sirach 40:8
Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.

Jezus Sirach 40:12
De goederen der onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en gelijk een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven.

Jezus Sirach 40:16
Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.

Jezus Sirach 40:22
Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.

Jezus Sirach 40:29
Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.

Jezus Sirach 41:24
Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.

Jezus Sirach 41:27
Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.

Jezus Sirach 42:3
Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven.


1 - 500  [501 - 1000]  [1001 - 1087]