Vindplaatsen van het woord nabestaanden in het oude testament (3 verzen):

Leviticus 18:17
Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.

Job 19:14
Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

Psalmen 38:12
Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.