Vindplaatsen van het woord ook in de apocriefe geschriften (440 verzen):
3 Ezra 1:49
En ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.
3 Ezra 2:19
Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.
3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.
3 Ezra 2:27
En dat de lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.
3 Ezra 3:20
Hij maakt het verstand des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk ook het verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen en des rijken;
3 Ezra 4:13
De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:
3 Ezra 4:22
Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.
3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.
3 Ezra 4:54
En hij schreef ook van het onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.
3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.
3 Ezra 6:12
En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.
3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.
3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.
3 Ezra 6:29
Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;
3 Ezra 6:30
Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.
3 Ezra 6:33
Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.
3 Ezra 8:9
Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:
3 Ezra 8:24
En ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting of andere lasten geschieden.
3 Ezra 8:59
En ik zeide tot ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk des Heren onzer vaderen.
4 Ezra 1:25
Dewijl gijlieden mij verlaten hebt, zo zal ik u ook verlaten; als gij genade van mij zult begeren, zo zal ik u niet genadig zijn.
4 Ezra 1:40
En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel des Heren genaamd is.
4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.
4 Ezra 3:21
Want de eerste Adam, hebbende een boos hart, heeft het gebod overtreden, en is overwonnen, ja ook allen die van hem zijn geboren.
4 Ezra 3:26
En deden in alles gelijk Adam, en al zijn nakomelingen, want zij gebruikten ook een boos hart.
4 Ezra 4:4
Van welke, zo gij mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die gij begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is.
4 Ezra 4:15
Desgelijks maakten de baren van de zee ook een aanslag, en zeiden: Komt, laat ons optrekken, en de bossen des velds beoorlogen, opdat wij ook daar een ander landschap voor ons maken.
4 Ezra 4:17
Desgelijks ook de aanslag van de baren der zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd.
4 Ezra 4:20
En hij antwoordde mij en zeide: Gij hebt wèl geoordeeld, doch waarom hebt gij ook niet geoordeeld voor u zelf?
4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.
4 Ezra 4:38
En ik antwoordde en zeide: O heersende Here, maar ook wij allen zijn vol goddeloosheid,
4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.
4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.
4 Ezra 5:11
En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Neen.
4 Ezra 5:40
Toen zeide hij tot mij: Gelijk gij niet doen kunt een der dingen, die gezegd zijn, zo zult gij ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb.
4 Ezra 5:45
Toen sprak ik: Gelijk gij tot uw knecht hebt gezegd, dat gij het schepsel, hetwelk geschapen is, op eenmaal levend gemaakt heb, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen.
4 Ezra 5:48
Toen zeide hij: Ik heb ook de baarmoeder der aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden.
4 Ezra 5:49
Want gelijk een jong kind niet baart, hetgeen der ouden is, zo heb ik ook de geschapen wereld geordineerd.
4 Ezra 5:53
En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, welke in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd des ouderdoms geboren worden, als de baarmoeder afneemt.
4 Ezra 5:54
Zo merk dan ook gij, dat gij van minder grootte zijt, dan die voor ulieden geweest zijn.
4 Ezra 6:15
Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament der aarde wordt daarbij ook verstaan;
4 Ezra 6:54
En bovendien ook Adam, die gij over al uw schepselen, die gij gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat gij uitverkoren hebt.
4 Ezra 6:56
Doch de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt gij gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt gij vergeleken met de druppel, die van een vat valt.
4 Ezra 7:10
En ik sprak: Het is zo Here; en hij zeide tot mij: Zo is ook het deel Israëls:
4 Ezra 7:12
En de ingangen dezer wereld zijn eng geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet.
4 Ezra 7:18
Doch de rechtvaardigen dragen het enge, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het enge gedragen, en zullen het wijde niet zien.
4 Ezra 7:41
Indien dan nu, wanneer de verdorvenheid toegenomen is, en de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het ook nu zo niet zijn?
4 Ezra 7:48
O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.
4 Ezra 7:60
Doch zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft,
4 Ezra 8:2
Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.
4 Ezra 8:10
Want gij hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht der borsten;
4 Ezra 8:37
En hij antwoordde en zeide tot mij: Gij hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook geschieden.
4 Ezra 8:39
Maar ik zal vreugde hebben over het pogen der rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen des loons.
4 Ezra 8:40
Gelijk ik dan gesproken heb, zo is het ook.
4 Ezra 8:41
Want gelijk de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortelen krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden.
4 Ezra 8:44
Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.
4 Ezra 8:48
Maar ook daarin zijt gij wonderlijk voor de Allerhoogste;
4 Ezra 8:60
Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.
4 Ezra 9:5
Want gelijkerwijs al hetgeen in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is openbaar.
4 Ezra 9:6
Zo hebben ook de tijden des Allerhoogsten openbare beginselen in wonderen en tekenen, en hun einden in werkingen, en in tekenen.
4 Ezra 9:14
En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen,
4 Ezra 9:17
Hoedanig het veld is, zodanig zijn ook de zaden; en hoedanig de bloemen zijn, zodanig zijn ook de kleuren; en hoedanig de werkman is, zodanig is ook het werk; en hoedanig de landman is, zodanig is ook de landbouw; want het was de tijd der wereld.
4 Ezra 9:32
Doch onze vaderen, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht der wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de uwe.
4 Ezra 9:35
Dat hetgeen gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en hetgeen daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons;
4 Ezra 9:36
Maar ons is het zo niet geschied, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft,
4 Ezra 10:10
En uit haar zijn van den beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing.
4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.
4 Ezra 10:16
Want zo gij de bepalingen Gods rechtvaardigt, en zijn raad intijds aanneemt, zo zult gij ook in zodanige zaken geprezen worden.
4 Ezra 10:23
En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten.
4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.
4 Ezra 10:54
Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw eens mensen verdragen worden, waar de stad des Allerhoogsten zou begonnen vertoond te worden.
4 Ezra 11:4
Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.
4 Ezra 11:18
En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen.
4 Ezra 11:21
Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet.
4 Ezra 11:28
En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen.
4 Ezra 11:33
En ik zag daarna, dat het middelste hoofd haastig verdween, en dat ook gelijk de vleugelen.
4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.
4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.
4 Ezra 12:31
Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.
4 Ezra 12:44
Indien gij ons dan verlaat, hoe veel beter ware het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren?
4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.
4 Ezra 13:21
Ik zal u ook de verklaring van dit gezicht zeggen, en zal u openbaren hetgeen waarvan gij gesproken hebt.
4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.
4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.
4 Ezra 14:30
En hebben de wet des levens ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook gijlieden na hen hebt overtreden.
4 Ezra 15:35
En zij zullen tegen elkander stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien.
4 Ezra 15:52
Zoude ik ook zo tegen u jaloers zijn? spreekt de Here.
4 Ezra 15:62
En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden.
4 Ezra 16:6
Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden?
4 Ezra 16:7
Kan ook iemand een pijl afweren, die van een sterk schutter is geschoten?
4 Ezra 16:44
Die zaait, als een die niet zal maaien, zo ook die een wijngaard snijdt, als een die de druiven niet zal lezen.
4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.
Tobias (Tobit) 2:13
En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje.
Tobias (Tobit) 3:7
Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienstmaagden haars vaders.
Tobias (Tobit) 5:8
En zijt gij ook in die plaats bekend?
Tobias (Tobit) 5:18
Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;
Tobias (Tobit) 7:8
En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden ook.
Tobias (Tobit) 7:19
En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,
Tobias (Tobit) 8:9
En Raguël stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?
Tobias (Tobit) 11:19
En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen ook tot hem.
Judith 2:6
Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.
Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.
Judith 4:10
En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neder in het gezicht des tempels,
Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.
Judith 8:14
Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.
Judith 8:17
Dewijl in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.
Judith 8:20
Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.
Judith 8:21
En nu, broeders, laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht heeft.
Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.
Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.
Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.
Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.
Judith 11:11
Zij hebben ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes Gods staan, welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt aan te raken.
Judith 11:12
En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden, om vernield te worden op die dag.
Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.
Judith 15:2
En daar was geen mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.
Judith 15:5
Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.
Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.
Judith 16:30
En daar was niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.
Boek der Wijsheid 2:15
Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans andere.
Boek der Wijsheid 5:13
Zo ook wij, als wij geboren zijn, terstond zijn wij bezweken.
Boek der Wijsheid 5:15
Want de hoop van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is.
Boek der Wijsheid 7:1
IK ben ook een sterfelijk mens, alle anderen gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft.
Boek der Wijsheid 7:3
En ik heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest, gelijk van alle anderen.
Boek der Wijsheid 7:16
Want in zijn hand zijn beide wij en onze woorden, ook allerlei kloekheid en wetenschap van handwerken.
Boek der Wijsheid 8:8
En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der woorden en de ontbinding der raadselen; tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden.
Boek der Wijsheid 8:18
En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.
Boek der Wijsheid 8:21
En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.
Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.
Boek der Wijsheid 10:8
Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.
Boek der Wijsheid 11:19
Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.
Boek der Wijsheid 11:20
Welker beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen.
Boek der Wijsheid 11:21
Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.
Boek der Wijsheid 12:8
Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.
Boek der Wijsheid 12:23
Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.
Boek der Wijsheid 12:24
Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen gelijk de onverstandige kinderen.
Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.
Boek der Wijsheid 13:6
Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;
Boek der Wijsheid 13:8
Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.
Boek der Wijsheid 13:11
En indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:
Boek der Wijsheid 14:3
Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.
Boek der Wijsheid 14:4
Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst daarin klimme.
Boek der Wijsheid 14:5
Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de baren, worden door een schip behouden.
Boek der Wijsheid 14:6
Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.
Boek der Wijsheid 14:8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.
Boek der Wijsheid 14:11
Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.
Boek der Wijsheid 14:18
De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst der beelden.
Boek der Wijsheid 14:22
Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd.
Boek der Wijsheid 14:27
Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.
Boek der Wijsheid 15:2
Want ook zo wij zondigen; wij zijn uw, wetende uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend worden.
Boek der Wijsheid 15:7
Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.
Boek der Wijsheid 15:12
Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.
Boek der Wijsheid 15:18
En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger.
Boek der Wijsheid 16:3
Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn.
Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,
Boek der Wijsheid 16:8
En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.
Boek der Wijsheid 16:10
Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.
Boek der Wijsheid 16:19
Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen zou verderven.
Boek der Wijsheid 16:22
Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven had.
Boek der Wijsheid 16:23
Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed worden.
Boek der Wijsheid 16:25
Daarom ook toen in alles veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.
Boek der Wijsheid 17:4
Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen gedruis en droevige spokerijen met afschuwelijke aangezichten verschenen hun.
Boek der Wijsheid 17:7
De guichelarijen der toverkunst lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs hunner pocherij vanwege hun, kloekheid.
Boek der Wijsheid 17:9
Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende dieren.
Boek der Wijsheid 18:2
En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.
Boek der Wijsheid 18:4
Want zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk ingesloten hielden door welke het onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.
Boek der Wijsheid 18:16
Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.
Boek der Wijsheid 18:20
Ook heeft eenmaal de aanvechting des doods de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied, maar die toorn duurde niet lang.
Boek der Wijsheid 19:2
Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.
Boek der Wijsheid 19:11
En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.
Boek der Wijsheid 19:14
En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.
Boek der Wijsheid 19:16
Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.
Jezus Sirach 2:23
Want gelijk zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.
Jezus Sirach 5:18
Wees niet onwetende ook niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.
Jezus Sirach 6:1
WORD geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.
Jezus Sirach 6:9
Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.
Jezus Sirach 6:10
Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.
Jezus Sirach 6:17
Die de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.
Jezus Sirach 8:7
Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook uit ons zijn er die oud worden.
Jezus Sirach 8:10
Want van hen zult gij onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen.
Jezus Sirach 8:11
Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden, want zij hebben ook geleerd van hun vaderen.
Jezus Sirach 10:2
Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.
Jezus Sirach 10:10
Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.
Jezus Sirach 10:24
De vreze des Heren is een heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.
Jezus Sirach 10:34
Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.
Jezus Sirach 11:29
Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.
Jezus Sirach 12:6
Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.
Jezus Sirach 12:8
Als het iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af.
Jezus Sirach 12:10
Want gelijk het koper verroest, zo ook zijn boosheid.
Jezus Sirach 13:12
Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.
Jezus Sirach 13:23
Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.
Jezus Sirach 14:20
Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.
Jezus Sirach 14:22
Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.
Jezus Sirach 16:13
Gelijk zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken.
Jezus Sirach 17:27
Wat is klaarder dan de zon, en nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.
Jezus Sirach 18:29
Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.
Jezus Sirach 20:13
De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.
Jezus Sirach 21:31
Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.
Jezus Sirach 22:10
Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.
Jezus Sirach 23:27
Eer alle dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voleindigd, doorziet hij ze alle.
Jezus Sirach 23:29
Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.
Jezus Sirach 26:17
Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.
Jezus Sirach 26:18
Gelijk het licht op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.
Jezus Sirach 26:19
Gelijk gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst.
Jezus Sirach 26:25
Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien.
Jezus Sirach 27:2
Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.
Jezus Sirach 27:6
Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.
Jezus Sirach 27:26
Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond wijd.
Jezus Sirach 31:29
De oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij dronken zijn.
Jezus Sirach 32:23
Vertrouw uzelf in alle goede werken, want ook dat is een onderhouding der geboden.
Jezus Sirach 33:1
HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder daaruit verlossen.
Jezus Sirach 33:14
Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.
Jezus Sirach 33:15
Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.
Jezus Sirach 35:19
Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken zal hebben.
Jezus Sirach 36:4
Gelijk gij voor hun ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt moogt worden in hen.
Jezus Sirach 36:5
Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o Here.
Jezus Sirach 36:28
Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.
Jezus Sirach 37:1
IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.
Jezus Sirach 38:1
EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.
Jezus Sirach 38:14
Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing om te mogen leven.
Jezus Sirach 38:20
Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.
Jezus Sirach 38:23
Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.
Jezus Sirach 38:24
Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.
Jezus Sirach 38:29
Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.
Jezus Sirach 38:31
Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.
Jezus Sirach 41:25
Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.
Jezus Sirach 41:28
Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.
Jezus Sirach 42:25
Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.
Jezus Sirach 43:6
Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing der tijden, en tot een teken der eeuw.
Jezus Sirach 44:24
En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.
Jezus Sirach 46:8
Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor de Here was, want ook volgde hij de machtige na.
Jezus Sirach 46:13
En de richters, elk met zijn naam, welker aller hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is ook gezegend.
Jezus Sirach 46:21
En eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.
Jezus Sirach 47:24
Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.
Jezus Sirach 48:12
Want ook wij zullen zeker leven.
Jezus Sirach 49:11
Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen, en bracht terecht die hun wegen recht maakten.
Jezus Sirach 49:12
Ook de gedachtenis der twaalf profeten zij in zegening.
Jezus Sirach 49:15
Onder de uitverkorenen was ook Nehemia, wiens gedachtenis vele malen wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.
Jezus Sirach 50:1
SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.
Baruch 1:13
Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.
Baruch 3:4
Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.
Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.
Baruch 6:9
Somwijlen ook onttrekken de priesters het goud en zilver hun goden, en brengen het door voor zichzelf;
Baruch 6:10
En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, met klederen als mensen.
Baruch 6:14
Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.
Baruch 6:15
Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.
Baruch 6:17
En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.
Baruch 6:21
Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, desgelijks ook de katten.
Baruch 6:23
Want indien niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.
Baruch 6:26
Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.
Baruch 6:27
Hun offeranden verkopen hun priesters en verteren die onnut; desgelijks ook hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch de kranken daarvan mee.
Baruch 6:34
Desgelijks kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.
Baruch 6:54
Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden.
Baruch 6:58
Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.
Baruch 6:60
Desgelijks de bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle landen.
Baruch 6:66
Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan.
Baruch 6:69
Want gelijk een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.
Baruch 6:70
Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.
Baruch 6:71
Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in het land.
Esther (apocr.) 12:4
En de koning schreef deze dingen in zijn gedenkboek, en Mordechai schreef ook van deze dingen.
Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;
Esther (apocr.) 13:13
Want ik zou gewillig zijn geweest, ook de voetstappen zijner voeten te kussen, tot behoudenis van Israël.
Esther (apocr.) 14:1
EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot de Here, met doodstrijd bevangen zijnde.
Esther (apocr.) 14:17
Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.
Esther (apocr.) 16:3
En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners lagen te leggen.
Esther (apocr.) 16:4
En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht der ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvlieden.
Esther (apocr.) 16:5
Menigmaal geschiedt het ook, dat velen dergenen die in macht zijn gesteld, en welke betrouwd is de zaken der vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld.
Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,
Esther (apocr.) 16:22
Zo zult gijlieden dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren;
Esther (apocr.) 16:24
Doch alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur gans verdelgd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogelen voor altijd vijand gemaakt worden.
Susanna (Dan. 13) 1:24
En Susanna riep met luider stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar.
Susanna (Dan. 13) 1:28
En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;
Susanna (Dan. 13) 1:59
Toen zeide Daniël tot hem: Zeer wel, gij hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel Gods, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij ulieden uitroeie.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:23
En de koning zeide tot Daniël: Zegt gij ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, gij kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.
Gebed van Manasse 1:14
En ik zal u loven al de dagen mijns levens, want u looft ook al de kracht der hemelen, en u komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid.
1 Makkabeeën 1:17
En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.
1 Makkabeeën 1:24
Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok hij naar zijn land.
1 Makkabeeën 2:16
En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.
1 Makkabeeën 2:25
En de man des konings, die de lieden dwong te offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak het altaar.
1 Makkabeeën 2:41
En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.
1 Makkabeeën 3:34
En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;
1 Makkabeeën 4:21
En dezen, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond om te vechten.
1 Makkabeeën 5:23
Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.
1 Makkabeeën 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.
1 Makkabeeën 5:57
Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om te beoorlogen de heidenen, die rondom ons zijn.
1 Makkabeeën 5:61
Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen.
1 Makkabeeën 6:24
Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;
1 Makkabeeën 6:25
En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.
1 Makkabeeën 6:52
En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen.
1 Makkabeeën 8:6
En onder dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.
1 Makkabeeën 9:13
En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid des legers beefde, en zij vochten tegen elkander van des morgens vroeg tot de avond toe.
1 Makkabeeën 9:18
En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht.
1 Makkabeeën 9:63
Als Bacchides dat vernam, zo vergaderde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren.
1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.
1 Makkabeeën 10:16
Zo zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.
1 Makkabeeën 10:24
Ik zal ook aan hen schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.
1 Makkabeeën 10:32
Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.
1 Makkabeeën 10:33
En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.
1 Makkabeeën 10:37
En uit dezen zullen ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.
1 Makkabeeën 10:40
En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkelen zilver van de rekeningen des konings uit de plaatsen die hem toebehoren.
1 Makkabeeën 10:42
En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen.
1 Makkabeeën 10:45
Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit de rekening des konings; en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.
1 Makkabeeën 10:84
En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.
1 Makkabeeën 11:31
Het afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.
1 Makkabeeën 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.
1 Makkabeeën 11:41
En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.
1 Makkabeeën 12:2
En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen brieven van dezelfde inhoud.
1 Makkabeeën 12:7
Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld bewijst,
1 Makkabeeën 12:11
Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook in onze gebeden, gelijk het behoort en betamelijk is de broederen gedachtig te zijn.
1 Makkabeeën 12:12
En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.
1 Makkabeeën 12:17
En wij hebben hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broederschap.
1 Makkabeeën 12:41
En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.
1 Makkabeeën 14:34
En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.
1 Makkabeeën 14:43
Dat bij ook zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.
1 Makkabeeën 15:22
Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;
1 Makkabeeën 15:35
En wat aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet een woord;
1 Makkabeeën 15:36
En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.
1 Makkabeeën 15:39
En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.
1 Makkabeeën 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.
1 Makkabeeën 16:21
En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.
2 Makkabeeën 1:6
Nu zijn wij ook hier voor u biddende.
2 Makkabeeën 1:18
Wij dan op de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden, hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat gij het ook houdt als het feest der loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende, slachtoffer geofferd heeft.
2 Makkabeeën 1:33
En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;
2 Makkabeeën 2:4
En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.
2 Makkabeeën 2:8
En dat de Here dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden, gelijk die ook aan Mozes is geopenbaard, en gelijk Salomo gebeden heeft dat deze plaats grotelijks zou worden geheiligd.
2 Makkabeeën 2:10
Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.
2 Makkabeeën 2:12
Desgelijks heeft ook Salomo die acht dagen gevierd.
2 Makkabeeën 2:14
Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.
2 Makkabeeën 2:30
Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.
2 Makkabeeën 3:2
Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke gaven verheerlijkten.
2 Makkabeeën 3:3
Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst der offeranden.
2 Makkabeeën 3:11
En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.
2 Makkabeeën 3:26
En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.
2 Makkabeeën 4:3
En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden;
2 Makkabeeën 4:9
En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.
2 Makkabeeën 4:32
En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.
2 Makkabeeën 4:35
Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood.
2 Makkabeeën 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.
2 Makkabeeën 4:40
En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.
2 Makkabeeën 4:41
En dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen en anderen dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen tezamen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren.
2 Makkabeeën 4:42
Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.
2 Makkabeeën 4:47
En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.
2 Makkabeeën 4:49
Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer treffelijk besteld hebben hetgeen tot hun begrafenis nodig was.
2 Makkabeeën 5:18
Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze terstond, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest zijn.
2 Makkabeeën 5:20
En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid opgericht.
2 Makkabeeën 5:22
En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,
2 Makkabeeën 6:2
En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.
2 Makkabeeën 6:5
En het altaar werd ook met onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.
2 Makkabeeën 6:6
En men mocht geen sabbatten vieren, noch de feestdagen der vaderen onderhouden, noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen.
2 Makkabeeën 6:8
En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.
2 Makkabeeën 6:15
Zo heeft hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons doe.
2 Makkabeeën 6:23
Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.
2 Makkabeeën 6:25
Zij ook door mijn veinzen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen.
2 Makkabeeën 6:31
En op deze wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot een gedachtenis der deugd nalatende.
2 Makkabeeën 7:1
Het gebeurde ook dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, hetwelk ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.
2 Makkabeeën 7:8
Doch hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zeide tot hen: Geenszins. Waarom deze ook dezelfde pijniging is aangedaan, gelijk de eerste.
2 Makkabeeën 7:10
Na deze werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;
2 Makkabeeën 7:13
En als ook deze overleden was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.
2 Makkabeeën 7:24
Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.
2 Makkabeeën 7:41
En de moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven.
2 Makkabeeën 8:17
En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.
2 Makkabeeën 8:18
En hij zeide: Dezen vertrouwen op hun wapenen en stoutheid, waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig is dezen, die tegen ons komen, en ook de gehele wereld, met één wenk ter neder te werpen.
2 Makkabeeën 8:22
Heeft hij zijn krijgsvolk in vier hopen gesteld, en zijn broeders aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar.
2 Makkabeeën 8:30
En hun macht te zamen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude lieden.
2 Makkabeeën 8:32
En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan had.
2 Makkabeeën 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.
2 Makkabeeën 9:9
Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.
2 Makkabeeën 9:12
En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke God gelijk te zijn.
2 Makkabeeën 9:17
En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.
2 Makkabeeën 9:23
Doch aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;
2 Makkabeeën 9:24
Opdat zo daar iets, buiten verwachting zou mogen gebeuren, of ook enige zwarigheid mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.
2 Makkabeeën 9:25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.
2 Makkabeeën 9:28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.
2 Makkabeeën 9:29
En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot Ptolomeüs Filometor.
2 Makkabeeën 10:2
En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel der afgoden weggenomen.
2 Makkabeeën 10:4
Dit gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen in zodanige zwarigheden, maar indien zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden.
2 Makkabeeën 10:7
Derhalve dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden zij lofzangen hem, die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden.
2 Makkabeeën 10:15
En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.
2 Makkabeeën 10:17
Welke zij ook met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten niet minder dan twintigduizend man om.
2 Makkabeeën 11:9
En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken.
2 Makkabeeën 11:12
En al de anderen dwongen zij te vluchten, en velen van hen gewond zijnde ontkwamen naakt, en Lysias, zelf met schande vluchtende, ontkwam het ook.
2 Makkabeeën 11:14
En verzekerde hun, dat hij op alle billijke voorwaarden met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken hun vriend te worden.
2 Makkabeeën 11:19
Daarom, indien gij behouden zult de goedgunstigheid tot onze zaken, zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.
2 Makkabeeën 11:25
Zo is het, dat wij goedgevonden hebben dat dit volk ook buiten de beroerte zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen naar de gebruiken hunner voorouders.
2 Makkabeeën 11:32
Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te vertroosten.
2 Makkabeeën 11:34
De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten der Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed.
2 Makkabeeën 11:35
Hetgeen Lysias, de bloedvriend des konings, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed.
2 Makkabeeën 11:37
Daarom spoedt u, en zendt enigen, opdat wij ook mogen weten hoe gij gezind zijt.
2 Makkabeeën 12:2
Doch de oversten van die plaatsen, Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien ook Hieronymus, en Demofon, en benevens deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen.
2 Makkabeeën 12:8
Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,
2 Makkabeeën 12:13
En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met name Caspin.
2 Makkabeeën 12:27
En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.
2 Makkabeeën 12:31
Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.
2 Makkabeeën 13:3
En bij dezen voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden.
2 Makkabeeën 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.
2 Makkabeeën 15:3
Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.
2 Makkabeeën 15:5
En de ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des konings diensten te volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.
2 Makkabeeën 15:9
En hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in gedachtenis brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd.
2 Makkabeeën 15:13
En dat zo ook verschenen was een man met grauwe haren en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en gans voortreffelijk;
2 Makkabeeën 15:18
Want het gevaar van huisvrouwen, en kinderen en ook van broeders, en bloedverwanten, was bij hen in minder achting, maar de grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel.
2 Makkabeeën 15:38
Dewijl dan de zaken van Nicanor aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal ik ook hier mijn rede afbreken.
2 Makkabeeën 15:40
Want gelijk het ongezond is wijn alleen te drinken, en ook desgelijks water alleen, en gelijkerwijs de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, en aangenaam is te drinken wijn met water gemengd, zo is ook een bekwame beschrijving der historie aangenaam voor de oren der lezers. En dit zij dan het einde.
3 Makkabeeën 1:6
En zo is het geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield, en dat ook velen gevangen genomen werden.
3 Makkabeeën 1:10
En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.
3 Makkabeeën 1:11
Maar als dezen hem zeiden, dat zulks niet betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch ook al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans geenszins bewegen.
3 Makkabeeën 1:14
Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen daar gedaan was.
3 Makkabeeën 1:15
Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten.
3 Makkabeeën 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.
3 Makkabeeën 1:25
Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.
3 Makkabeeën 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
3 Makkabeeën 2:16
Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods geheel verstrikt was.
3 Makkabeeën 2:17
Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.
3 Makkabeeën 2:19
Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op des konings voorstel, ook zelf zijn wil volgden.
3 Makkabeeën 2:21
Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.
3 Makkabeeën 3:1
En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.
3 Makkabeeën 3:7
Ja ook sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk enigen tot zich trekkende, en deden beloften, dat zij hen mede wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp.
3 Makkabeeën 3:10
Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.
3 Makkabeeën 3:11
En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;
3 Makkabeeën 3:15
Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der burgers van Alexandrië.
3 Makkabeeën 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.
3 Makkabeeën 3:21
En wie zulks zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt, en nog uit des konings schatkamer tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden.
3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.
3 Makkabeeën 4:10
Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.
3 Makkabeeën 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.
3 Makkabeeën 5:12
En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en zijn vrienden zulks ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven.
3 Makkabeeën 5:23
En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden.
3 Makkabeeën 5:28
Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten, en zo ten grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offeranden offerden daar wij niet mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.
3 Makkabeeën 6:9
Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.
3 Makkabeeën 6:14
Maar gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Here.
3 Makkabeeën 6:18
En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger der vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en ook des konings lichaam werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.
3 Makkabeeën 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.
3 Makkabeeën 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.
3 Makkabeeën 6:35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost heeft.
3 Makkabeeën 6:37
Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:
3 Makkabeeën 7:1
De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.
3 Makkabeeën 7:2
Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben sommigen onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk afvalligen, straffen.
3 Makkabeeën 7:4
Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, gelijk slaven, ja veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.
3 Makkabeeën 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.
3 Makkabeeën 7:10
En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.
3 Makkabeeën 7:16
En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden.
3 Makkabeeën 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst