Vindplaatsen van het woord o in de apocriefe geschriften (66 verzen):

3 Ezra 3:19
O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;

3 Ezra 3:25
O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.

3 Ezra 4:2
O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?

3 Ezra 4:12
O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

3 Ezra 4:14
O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.

3 Ezra 4:32
O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?

3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

3 Ezra 4:60
Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.

4 Ezra 2:5
Doch u, o Vader, roep ik tot getuige over de moeder dezer kinderen, die mijn verbond niet hebben willen houden:

4 Ezra 3:4
O heersende Here, gij hebt van den beginne gesproken, toen gij het aardrijk hebt gefundeerd, gij alleen, en hebt het volk geboden gegeven;

4 Ezra 4:38
En ik antwoordde en zeide: O heersende Here, maar ook wij allen zijn vol goddeloosheid,

4 Ezra 5:23
En ik zeide: O heersende Here, uit alle bossen der aarde en uit al hun bomen hebt gij alleen de wijnstok verkoren;

4 Ezra 5:38
En ik sprak: O heersende Here, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.

4 Ezra 6:11
En ik antwoordde, en zeide: O heersende Here, indien ik genade gevonden heb in uw ogen,

4 Ezra 6:38
En ik zeide: O Here, Gij hebt in het begin der schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en uw woord was een volkomen werk,

4 Ezra 7:17
En ik antwoordde en zeide: O heersende Heer, ziet gij hebt in uw wet verordineerd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan.

4 Ezra 7:48
O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.

4 Ezra 8:6
O Here, zo gij uw knecht niet toelaat, dat wij voor uw aanschijn bidden, en dat gij ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?

4 Ezra 9:29
O Here, toen gij uzelf ons vertoondet, zijt gij onze vaderen openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, wanneer zij uit Egypte togen, en hebt hun ernstig gezegd:

4 Ezra 12:7
En ik zeide: O heersende Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, en indien ik gerechtvaardigd ben bij u voor vele anderen, en indien mijn gebed waarlijk voor uw aangezicht opgekomen is,

4 Ezra 13:51
Toen zeide ik: O heersende Here, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden der zee opkwam. En hij zeide tot mij:

4 Ezra 15:59
O ongelukkigen, gij zult over de zee wijken, en u zal daar weder ongeval ontmoeten.

Tobias (Tobit) 3:14
Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in der eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 8:5
En Tobias begon te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 11:12
Geloofd zijt gij, o God.

Tobias (Tobit) 13:16
O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in der eeuwigheid.

Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.

Judith 13:6
O Here, gij God aller kracht, zie te dezer ure aan de werken mijner handen, tot verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om uw erve te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering der vijanden, die tegen ons opgestaan zijn.

Judith 13:8
Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.

Judith 13:22
En zeiden eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.

Judith 13:23
En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, die op de aarde zijn.

Boek der Wijsheid 6:9
Tot ulieden dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij wijsheid leren zoudt en niet vervallen.

Boek der Wijsheid 9:1
O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord,

Boek der Wijsheid 11:27
Maar gij verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber der zielen.

Boek der Wijsheid 14:3
Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.

Jezus Sirach 23:1
O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.

Jezus Sirach 23:4
O Here, Vader en God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd van uw knechten af.

Jezus Sirach 36:5
Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o Here.

Jezus Sirach 37:3
O boze gedachte, vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken?

Jezus Sirach 41:1
O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.

Jezus Sirach 41:3
O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.

Jezus Sirach 51:1
<<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.

Baruch 2:19
Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Here onze God, niet uit voor uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid onzer vaderen en onzer koningen.

Baruch 3:24
O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner woning!

Esther (apocr.) 14:12
Gedenk aan ons Here, en maak u bekend in de tijd onzer verdrukking, en sterk mij, o Koning aller volken, en heerser over alle vorsten.

Esther (apocr.) 14:18
En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.

Susanna (Dan. 13) 1:42
Doch Susanna riep uit met luider stem, en zeide: O eeuwige God, die een kenner zijt der verborgen dingen, en die alle dingen weet eer zij zijn,

Bel en de draak (Dan. 14) 1:6
Maar Daniël lachte en zeide: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:40
En de koning riep met luider stem en zeide: Gij zijt groot, o Here, God van Daniël, en daar is niemand dan gij, en trok hem er weder uit,

1 Makkabeeën 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.

2 Makkabeeën 14:9
Daarom gij, o koning, dit alles verstaan hebbende, wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw bekende goedertierenheid, die gij allen bewijst.

2 Makkabeeën 14:35
Gij, o Here van allen, die geen ding van node hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij ons zou zijn.

2 Makkabeeën 14:36
Nu dan, o gij heilige Here aller heiligmaking, bewaar in eeuwigheid onbesmet dit huis, dat onlangs gereinigd is.

2 Makkabeeën 15:22
En als hij bad, sprak hij deze woorden: Gij, o Here, hebt uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man.

3 Makkabeeën 2:2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.

3 Makkabeeën 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.

3 Makkabeeën 2:11
Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.

3 Makkabeeën 5:19
Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig voornemen, bereid.

3 Makkabeeën 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.

3 Makkabeeën 5:25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;

3 Makkabeeën 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!

3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

3 Makkabeeën 6:7
Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen, verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid aangedaan wordt.

3 Makkabeeën 6:14
Maar gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Here.