Vindplaatsen van het woord opgang in de apocriefe geschriften (10 verzen):

4 Ezra 1:38
En nu, broeder, aanschouw wat heerlijkheid dit is; en zie het volk dat van de opgang aankomt.

4 Ezra 15:28
Ziet een schrikkelijk gezicht, en zijn aankomst is van de opgang der zon.

Judith 14:8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,

Boek der Wijsheid 16:28
Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.

Jezus Sirach 25:24
Gelijk een zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, alzo is een klapachtige vrouw voor een stil man.

Jezus Sirach 43:2
De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.

Baruch 4:36
Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van God komt.

Baruch 5:5
Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.

1 Makkabeeën 3:16
En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk.

3 Makkabeeën 4:12
Zo geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde.