Vindplaatsen van het woord over in de apocriefe geschriften (449 verzen):
3 Ezra 1:9
Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.
3 Ezra 1:32
En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.
3 Ezra 1:37
En de koning van Egypte stelde zijn broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;
3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.
3 Ezra 1:46
En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;
3 Ezra 1:52
Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen hen deed optrekken.
3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;
3 Ezra 2:3
Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt over de gehele aarde;
3 Ezra 2:11
En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;
3 Ezra 2:17
De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;
3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:
3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.
3 Ezra 5:55
En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.
3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.
3 Ezra 5:61
En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is tot in der eeuwigheid, over geheel Israël.
3 Ezra 5:62
En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende de Here, over de oprichting van het huis des Heren.
3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.
3 Ezra 6:5
En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.
3 Ezra 6:14
En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning Israëls, en is voltooid.
3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,
3 Ezra 6:17
Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.
3 Ezra 7:9
En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over de werken des Heren, de God Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan elke poort.
3 Ezra 8:20
En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,
3 Ezra 8:23
Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings, en zijn zonen.
3 Ezra 8:62
En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.
3 Ezra 8:64
En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;
3 Ezra 8:68
En gaven de bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.
3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.
3 Ezra 8:79
En nu is ons een weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel over te laten, en een naam, in de plaats uws heiligdoms:
3 Ezra 8:89
Zoudt gij dan over ons niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?
3 Ezra 9:2
En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen der menigte.
3 Ezra 9:20
En legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden.
4 Ezra 1:16
En hebt niet getriumfeerd in mijn naam over de verdelging uwer vijanden, maar nog tot nu toe hebt gij gemurmureerd.
4 Ezra 2:5
Doch u, o Vader, roep ik tot getuige over de moeder dezer kinderen, die mijn verbond niet hebben willen houden:
4 Ezra 2:32
Omhels uw kinderen totdat ik kom, en hun barmhartigheid bewijze, want mijn fonteinen vloeien over, en mijn genade zal niet ontbreken.
4 Ezra 2:35
Zijt bereid voor de beloning des koninkrijks, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid.
4 Ezra 3:7
En hebt hem geboden uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en gij hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en lieden, en geslachten, welker getal niet is te tellen.
4 Ezra 3:9
Daarentegen deedt gij mettertijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en gij verdierft ze.
4 Ezra 3:10
En gelijk over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen.
4 Ezra 3:28
Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen?
4 Ezra 4:25
Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.
4 Ezra 4:34
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want gij haast u tevergeefs om over hem te zijn, en gij gaat u veel te buiten.
4 Ezra 4:49
Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over.
4 Ezra 5:28
En nu Here, waarom hebt gij dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat uw is, onder velen verstrooid?
4 Ezra 5:33
Toen zeide ik: Spreek mijn Here. En hij zeide tot mij: Uw geest is te zeer bekommerd over Israël; hebt gij dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft?
4 Ezra 6:54
En bovendien ook Adam, die gij over al uw schepselen, die gij gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat gij uitverkoren hebt.
4 Ezra 7:61
Dat de droefheid niet zou zijn tot hun verderf, gelijk de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is.
4 Ezra 8:30
En vertoorn u niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, welke altijd op uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.
4 Ezra 8:32
Want zo gij begerig zijt u onzer te ontfermen, dan zult gij barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken der gerechtigheid hebben.
4 Ezra 8:34
Maar wat is de mens, dat gij u over hem zoudt vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat gij daartegen zo verbitterd zoudt zijn?
4 Ezra 8:36
Want daarin zal uw gerechtigheid en uw goedheid verkondigd worden, Here, wanneer gij u zult ontfermen over degenen, die het wezen der goede werken niet hebben.
4 Ezra 8:39
Maar ik zal vreugde hebben over het pogen der rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen des loons.
4 Ezra 8:45
En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want gij ontfermt u over uw schepsel.
4 Ezra 9:45
En het is geschied na dertig jaren, dat God mij, uw dienst maagd verhoord heeft, en hij heeft mijn vernedering gezien, en hij heeft mijn angst aangemerkt, en hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer.
4 Ezra 10:8
En nu, waar wij allen treuren en droevig zijn, daar wij allen bedroefd zijn, zo treurt gij alleen over een zoon.
4 Ezra 10:11
Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar gij maar over één zo droevig zijt.
4 Ezra 10:22
Ons snarenspel ligt daar neder, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaadheid geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongelingen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden.
4 Ezra 10:39
Hij heeft gezien dat uw weg recht is, want gij waart zonder ophouden beroerd over uw volk, en waart zeer treurig over Sion.
4 Ezra 10:50
En nu ziet de Allerhoogste, dat gij van harte bedroefd zijt, en omdat gij van ganser harte bekommerd zijt over haar, zo heeft hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel.
4 Ezra 11:2
En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.
4 Ezra 11:5
En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.
4 Ezra 11:12
En ik zag, en ziet, van de rechterzijde stond een veder op, en zij heerste over de gehele aarde.
4 Ezra 11:23
En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.
4 Ezra 11:32
Dat hoofd nu verschrikte het ganse aardrijk, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugelen, die daar geweest waren.
4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.
4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.
4 Ezra 12:23
Daarvan is dit de verklaring: Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken verwekken, en zal vele dingen daarin wederroepen, en zij zullen over de aarde zelf heersen,
4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.
4 Ezra 12:29
En dat gij gezien hebt twee vederen, die van onder de vleugelen over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijd was,
4 Ezra 12:32
Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.
4 Ezra 12:42
Want gij zijt alleen voor ons over uit alle volken als een druiftak van de wijngaard, en als een kaars in een duistere plaats, en als een haven, en een schip, dat uit het onweder ontkomen is.
4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.
4 Ezra 13:30
En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen.
4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der Assyriërs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.
4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.
4 Ezra 15:3
En vrees niet voor de raadslagen tegen u en bekommert u niet over de ongelovigheid der tegensprekers.
4 Ezra 15:5
Ziet, spreekt de Here, ik zal ongelukken over de aardbodem zenden, het zwaard, en de honger, en de dood, en de verderfenis;
4 Ezra 15:6
Omdat ongerechtigheid de overhand genomen heeft over de ganse aarde, en haar schadelijke werken zijn vervuld geworden.
4 Ezra 15:8
Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen hetgeen zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot mij; en de zielen der rechtvaardigen roepen zonder ophouden.
4 Ezra 15:12
Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelve brengen zal.
4 Ezra 15:22
Mijn hand zal de zondaar niet verschonen, en mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde.
4 Ezra 15:27
Want nu zijn de ongevallen over de aardbodem gekomen, en gij zult in dezelve blijven. Want God zal u niet verlossen, omdat gij tegen hem zondigt.
4 Ezra 15:29
Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagenen, en gelijk als een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;
4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;
4 Ezra 15:44
Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.
4 Ezra 15:49
Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood,
4 Ezra 15:50
En de heerlijkheid uwer kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden.
4 Ezra 15:53
Indien gij mijn uitverkorenen ten allen tijde niet hadt gedood, en uw handen over hen niet hadt verheven om te slaan, en gij niet gezegd hadt, als gij dronken waart over hun dood,
4 Ezra 15:59
O ongelukkigen, gij zult over de zee wijken, en u zal daar weder ongeval ontmoeten.
4 Ezra 16:3
Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren?
4 Ezra 16:4
Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen?
4 Ezra 16:5
Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren?
4 Ezra 16:8
De almachtige Here zendt ongeval over, en wie is er die het zal verdrijven?
4 Ezra 16:16
Gelijk de pijl niet wederkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet wederkeren, die over de aarde zijn gezonden.
4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.
4 Ezra 16:53
Want nog een weinig tijds is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen.
4 Ezra 16:60
Die de hemel uitspant als een gewelf; bij heeft die over de wateren bevestigd.
4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.
4 Ezra 16:77
En gij die mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Here, ziet toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen.
Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.
Tobias (Tobit) 3:3
Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.
Tobias (Tobit) 4:18
Werp uw brood overvloedig over het graf der rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.
Tobias (Tobit) 5:17
En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.
Tobias (Tobit) 6:13
Want u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.
Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.
Tobias (Tobit) 8:8
Beveel dan dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.
Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.
Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.
Tobias (Tobit) 13:10
Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.
Tobias (Tobit) 13:15
Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen loven.
Tobias (Tobit) 13:16
O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in der eeuwigheid.
Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.
Tobias (Tobit) 14:17
En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.
Judith 1:1
IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,
Judith 1:9
En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,
Judith 1:12
En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeën.
Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.
Judith 2:13
En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,
Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.
Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.
Judith 6:15
Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.
Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.
Judith 7:15
En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.
Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.
Judith 7:20
Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad.
Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.
Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.
Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.
Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.
Judith 8:30
En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde krijgsordeningen.
Judith 9:2
Here, gij God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.
Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.
Judith 9:11
Zend uw toorn over hun hoofden,
Judith 10:7
Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.
Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.
Judith 10:19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.
Judith 11:8
Want over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.
Judith 11:9
Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.
Judith 11:18
Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:
Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.
Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.
Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.
Judith 13:11
En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.
Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.
Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:
Judith 14:15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.
Judith 15:1
EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.
Judith 16:12
De Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.
Judith 16:20
Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des gerichts.
Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.
Boek der Wijsheid 1:9
Want over de raadslagen der goddelozen zal onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden zal voor de Here komen, tot bestraffing zijner misdaden.
Boek der Wijsheid 1:12
Staat niet naar de dood door dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u door werken uwer handen.
Boek der Wijsheid 2:20
Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden, gelijk hij zegt.
Boek der Wijsheid 3:7
Ten tijde van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.
Boek der Wijsheid 3:8
Zij zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid over hen regeren.
Boek der Wijsheid 3:9
Die op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.
Boek der Wijsheid 4:15
Doch de volken zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, dat genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.
Boek der Wijsheid 4:17
Want wij zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Here verzekerd heeft.
Boek der Wijsheid 5:2
En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.
Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.
Boek der Wijsheid 6:2
Laat dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de scharen der volken.
Boek der Wijsheid 6:5
Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.
Boek der Wijsheid 6:8
Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen.
Boek der Wijsheid 9:2
En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,
Boek der Wijsheid 9:7
Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.
Boek der Wijsheid 10:2
En heeft hem getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen.
Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.
Boek der Wijsheid 10:14
En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven.
Boek der Wijsheid 11:15
Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.
Boek der Wijsheid 11:18
Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.
Boek der Wijsheid 11:24
Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
Boek der Wijsheid 12:16
Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.
Boek der Wijsheid 12:18
Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.
Boek der Wijsheid 12:25
Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.
Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.
Boek der Wijsheid 13:4
En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.
Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.
Boek der Wijsheid 14:31
Want niet de kracht dergene bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.
Boek der Wijsheid 16:3
Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn.
Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,
Boek der Wijsheid 16:13
Want gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder uit.
Boek der Wijsheid 17:21
Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.
Boek der Wijsheid 18:10
En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weder.
Boek der Wijsheid 18:23
Want als nu reeds de doden met hopen over elkander gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.
Boek der Wijsheid 19:12
Want tot hun troost kwamen kwakkelen op uit de zee; doch de straffen kwamen over de zondaars;
Boek der Wijsheid 19:14
En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.
Jezus Sirach 1:9
En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.
Jezus Sirach 1:30
Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt, en schande brengt over uw ziel.
Jezus Sirach 2:2
Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt.
Jezus Sirach 3:2
Want de Here heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.
Jezus Sirach 3:5
Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.
Jezus Sirach 3:9
Opdat zegening van mensen over u kome.
Jezus Sirach 3:29
Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.
Jezus Sirach 4:19
Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;
Jezus Sirach 4:30
Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.
Jezus Sirach 5:10
Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.
Jezus Sirach 5:17
Want een bezwaarlijke schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis over de tweetongige.
Jezus Sirach 6:4
Een boze ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden.
Jezus Sirach 6:11
Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.
Jezus Sirach 7:26
Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.
Jezus Sirach 8:8
Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen.
Jezus Sirach 9:2
Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.
Jezus Sirach 9:6
Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.
Jezus Sirach 10:4
De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.
Jezus Sirach 10:6
Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.
Jezus Sirach 10:15
Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.
Jezus Sirach 11:13
En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.
Jezus Sirach 11:16
Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.
Jezus Sirach 12:13
Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.
Jezus Sirach 14:10
Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.
Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.
Jezus Sirach 16:8
Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.
Jezus Sirach 16:10
Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.
Jezus Sirach 17:2
Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.
Jezus Sirach 17:4
Hij heeft hun vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.
Jezus Sirach 17:14
Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.
Jezus Sirach 18:10
Daarom is de Here lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid op hen uit.
Jezus Sirach 18:12
De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.
Jezus Sirach 18:14
Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.
Jezus Sirach 21:12
Wie de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.
Jezus Sirach 21:26
De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.
Jezus Sirach 21:27
Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.
Jezus Sirach 22:10
Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.
Jezus Sirach 22:11
Ween over een dode zachter, dewijl hij rust.
Jezus Sirach 22:13
De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.
Jezus Sirach 23:2
Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare zondaren niet voorbijgaat;
Jezus Sirach 23:3
Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.
Jezus Sirach 23:5
Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.
Jezus Sirach 23:31
Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden.
Jezus Sirach 25:25
Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.
Jezus Sirach 26:30
Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:
Jezus Sirach 27:24
Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.
Jezus Sirach 28:4
En hij heeft geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.
Jezus Sirach 28:25
Zij zal over de godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.
Jezus Sirach 28:27
Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.
Jezus Sirach 30:2
Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.
Jezus Sirach 30:3
Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.
Jezus Sirach 30:5
In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.
Jezus Sirach 30:26
Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.
Jezus Sirach 31:12
Als gij aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;
Jezus Sirach 31:23
En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.
Jezus Sirach 31:27
Die karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.
Jezus Sirach 33:19
Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.
Jezus Sirach 33:20
Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.
Jezus Sirach 34:3
Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over.
Jezus Sirach 34:20
De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.
Jezus Sirach 35:19
Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken zal hebben.
Jezus Sirach 36:1
ONTFERM u over ons Here, gij God aller dingen, en zie ons aan.
Jezus Sirach 36:2
En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.
Jezus Sirach 36:3
Verhef uw hand over de vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.
Jezus Sirach 36:14
Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.
Jezus Sirach 36:19
Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.
Jezus Sirach 37:9
Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u werpe,
Jezus Sirach 37:12
Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid.
Jezus Sirach 38:16
Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.
Jezus Sirach 38:24
Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.
Jezus Sirach 38:34
Desgelijks een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal.
Jezus Sirach 39:19
Looft de Here over al zijn werken met gezang der lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:
Jezus Sirach 40:8
Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.
Jezus Sirach 42:3
Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven.
Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.
Jezus Sirach 43:20
Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen.
Jezus Sirach 46:15
Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet des Heren, heeft koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk.
Jezus Sirach 46:21
En eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.
Jezus Sirach 47:19
De landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen.
Jezus Sirach 47:22
Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk ontstond.
Jezus Sirach 47:28
Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.
Jezus Sirach 48:2
Welke over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.
Jezus Sirach 48:17
En daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis van David.
Jezus Sirach 50:16
Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles.
Jezus Sirach 50:21
Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.
Jezus Sirach 50:25
Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk:
Jezus Sirach 51:19
Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.
Jezus Sirach 51:37
Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.
Baruch 1:10
En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van de Here onze God.
Baruch 2:1
EN de Here heeft zijn woord bevestigd, dat hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda.
Baruch 2:2
Dat hij over ons grote ellende liet komen, hoedanige hij niet heeft gedaan onder de ganse hemel, gelijk hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;
Baruch 2:7
Al wat de Here over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.
Baruch 2:9
En de Here is wakker geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft geboden.
Baruch 2:13
Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven onder de heidenen, waarheen gij ons verstrooid hebt.
Baruch 2:20
Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten, de profeten zeggende:
Baruch 3:16
Waar zijn de oversten der heidenen, en die heersen over de wilde gedierten, die op aarde zijn?
Baruch 3:30
Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud?
Baruch 4:9
Want zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoort toe, gij naburinnen Sions, want God heeft groot leed over mij gebracht.
Baruch 4:10
Want ik heb gezien de gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige over hen gebracht heeft.
Baruch 4:12
Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;
Baruch 4:14
Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft gebracht.
Baruch 4:15
Want hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal.
Baruch 4:18
Doch die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand uwer vijanden.
Baruch 4:24
Want gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.
Baruch 4:25
Gij kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.
Baruch 4:27
Hebt moed, kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft zal uwer gedenken.
Baruch 4:29
Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing.
Baruch 4:31
Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val.
Baruch 4:33
Want gelijk zij zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting.
Baruch 4:35
Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.
Baruch 4:37
Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.
Baruch 6:31
Zij brullen, en roepen voor hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.
Baruch 6:48
Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.
Baruch 6:61
En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen is.
Esther (apocr.) 12:3
En de koning deed onderzoek over zijn twee kamerlingen, en nadat zij het bekend hadden, werden zij opgehangen.
Esther (apocr.) 13:2
Daar ik over vele volken heers, en de gehele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen mijner macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weder vernieuwen.
Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.
Esther (apocr.) 14:11
Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.
Esther (apocr.) 14:12
Gedenk aan ons Here, en maak u bekend in de tijd onzer verdrukking, en sterk mij, o Koning aller volken, en heerser over alle vorsten.
Esther (apocr.) 16:1
DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de landschappen, die van Indië tot aan Morenland zijn, mitsgaders degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet!
Esther (apocr.) 16:21
Want deze blijdschap heeft hun God, die over allen heerst, teweeggebracht, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:28
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer vaderen, want gij hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, om onzer zonden wil.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:31
En al wat gij over ons gebracht hebt, en al wat gij ons hebt gedaan, dat hebt gij in een waarachtig gericht gedaan;
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:34
Doch geef ons niet over ten einde toe om uws naams wil, en verstoot uw verbond niet.
Susanna (Dan. 13) 1:8
En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.
Susanna (Dan. 13) 1:10
En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkander hun pijn niet;
Susanna (Dan. 13) 1:63
Doch Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar ganse maagschap, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:1
En de koning Astyages werd vergaderd tot zijn vaderen, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden des konings.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:4
En hij zeide: Omdat ik geen afgoden, die met handen gemaakt zijn, aanbid, maar de levende God, die de hemel geschapen heeft, en de aarde, en die heerschappij heeft over alle vlees.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:28
En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:29
En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun Daniël over te geven.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:35
Toen vatte de engel des Heren hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van zijn Geest.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over Daniël, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet Daniël zat daar.
Gebed van Manasse 1:6
Maar de barmhartigheid uwer beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want gij, Here, zijt de Allerhoogste, gij zijt lankmoedig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt u over de kinderen der mensen.
Gebed van Manasse 1:12
Daarom bid en smeek ik u, vergeef het mij, Here, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde, want gij zijt God, een God der boetvaardigen.
1 Makkabeeën 1:17
En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.
1 Makkabeeën 1:29
En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse huis van Jakob deed smaad klederen aan.
1 Makkabeeën 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.
1 Makkabeeën 1:54
Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn ganse koninkrijk, en heeft opzieners gemaakt over al het volk.
1 Makkabeeën 1:68
En de toom des konings was zeer groot over Israël.
1 Makkabeeën 2:30
Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.
1 Makkabeeën 2:37
Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid. De hemel en aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.
1 Makkabeeën 2:39
En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.
1 Makkabeeën 2:70
En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in Modin, en het ganse Israël maakte over hem zeer grote rouw.
1 Makkabeeën 3:15
En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over de kinderen Israëls.
1 Makkabeeën 3:32
En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, over de zaken des konings, van de rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte toe;
1 Makkabeeën 3:34
En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;
1 Makkabeeën 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.
1 Makkabeeën 3:55
En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten over tien.
1 Makkabeeën 4:14
En zij kwamen aan elkander, en de heidenen werden geslagen, en vloden over het vlakke veld.
1 Makkabeeën 5:19
En hij beval hun, zeggende: Weest over dit volk, en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij zullen wedergekeerd zijn.
1 Makkabeeën 5:24
En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;
1 Makkabeeën 5:37
En na deze zaken vergaderde Timotheüs een ander leger, en legerde zich tegenover Rafon over de beek.
1 Makkabeeën 5:39
En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.
1 Makkabeeën 5:41
Maar indien hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.
1 Makkabeeën 5:43
En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.
1 Makkabeeën 5:52
En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.
1 Makkabeeën 6:9
En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.
1 Makkabeeën 6:14
En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;
1 Makkabeeën 6:28
En de koning werd toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde al zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.
1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.
1 Makkabeeën 6:63
En is haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.
1 Makkabeeën 7:9
En hij zond dezen; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de kinderen Israëls.
1 Makkabeeën 7:20
En hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides trok heen naar de koning.
1 Makkabeeën 7:24
Trok uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.
1 Makkabeeën 7:38
Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.
1 Makkabeeën 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.
1 Makkabeeën 9:20
En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden:
1 Makkabeeën 9:34
Bacchides dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over de Jordaan.
1 Makkabeeën 9:35
En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.
1 Makkabeeën 9:42
En zij deden alzo wraak over het bloed van hun broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.
1 Makkabeeën 9:48
En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.
1 Makkabeeën 9:55
En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.
1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.
1 Makkabeeën 9:72
En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.
1 Makkabeeën 10:6
En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven.
1 Makkabeeën 10:9
En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.
1 Makkabeeën 10:32
Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.
1 Makkabeeën 10:35
Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.
1 Makkabeeën 10:37
En uit dezen zullen ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.
1 Makkabeeën 10:49
En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.
1 Makkabeeën 10:63
En zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak.
1 Makkabeeën 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:
1 Makkabeeën 11:8
De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.
1 Makkabeeën 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.
1 Makkabeeën 11:29
En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud:
1 Makkabeeën 11:43
En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.
1 Makkabeeën 11:56
En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.
1 Makkabeeën 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.
1 Makkabeeën 12:12
En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.
1 Makkabeeën 12:30
En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken.
1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.
1 Makkabeeën 13:26
En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.
1 Makkabeeën 13:27
En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk.
1 Makkabeeën 13:28
En hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.
1 Makkabeeën 13:32
En regeerde als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van Azië, en bracht een grote plaag over het land.
1 Makkabeeën 13:37
De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.
1 Makkabeeën 13:47
En Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.
1 Makkabeeën 13:54
Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.
1 Makkabeeën 14:21
De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest over hun komst.
1 Makkabeeën 14:42
Dat hij hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die over het land en over de wapenen en over de sterkten opzicht zouden hebben.
1 Makkabeeën 14:47
En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der priesters, en over allen te gebieden.
1 Makkabeeën 15:21
Indien er dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.
1 Makkabeeën 15:29
Gij hebt de landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.
1 Makkabeeën 15:30
Nu dan geeft weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.
1 Makkabeeën 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.
1 Makkabeeën 16:11
En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,
1 Makkabeeën 16:19
En hij zond anderen naar Gazara, om Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven.
2 Makkabeeën 2:18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.
2 Makkabeeën 2:30
Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.
2 Makkabeeën 3:7
Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.
2 Makkabeeën 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.
2 Makkabeeën 4:29
Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus, zijn broeder, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus.
2 Makkabeeën 4:37
Antiochus, hierover van harte bedroefd zijnde, en tot barmhartigheid geneigd, heeft geschreid over des overledenen matigheid en grote geschiktheid.
2 Makkabeeën 4:43
En over deze zaken werd recht gehouden tegen Menelaüs.
2 Makkabeeën 5:10
En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf mogen genieten.
2 Makkabeeën 5:20
En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid opgericht.
2 Makkabeeën 6:9
En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen over te gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende.
2 Makkabeeën 6:12
Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding van ons geslacht.
2 Makkabeeën 6:15
Zo heeft hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons doe.
2 Makkabeeën 7:6
Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost worden; gelijk Mozes in zijn lied, hetwelk hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienstknechten zal hij vertroost worden.
2 Makkabeeën 7:12
Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.
2 Makkabeeën 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,
2 Makkabeeën 7:37
En ik, gelijk als mijn broeders, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en geselen moogt bekennen dat bij alleen God is;
2 Makkabeeën 8:2
En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;
2 Makkabeeën 8:3
En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;
2 Makkabeeën 8:24
Daar de Almachtige met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors krijgsvolk, en dwongen hen allen te vluchten;
2 Makkabeeën 8:27
En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die over hen kwam.
2 Makkabeeën 8:30
En hun macht te zamen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude lieden.
2 Makkabeeën 8:33
En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner goddeloosheid verkregen.
2 Makkabeeën 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.
2 Makkabeeën 9:18
Maar als de pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:
2 Makkabeeën 10:11
Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.
2 Makkabeeën 11:1
En een zeer weinig tijds daarna, Lysias, des konings hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over hetgeen geschied was,
2 Makkabeeën 11:10
En zij trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.
2 Makkabeeën 12:20
En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard.
2 Makkabeeën 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.
2 Makkabeeën 13:2
En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend.
2 Makkabeeën 13:25
En als hij te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.
2 Makkabeeën 14:12
En hij riep terstond Nicanor, die over de olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot overste over Judea, zond hem derwaarts;
2 Makkabeeën 14:39
Nicanor nu willende openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten omhem te vangen.
2 Makkabeeën 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.
2 Makkabeeën 15:27
En zij vechtende met de handen, maar met hun harten tot God biddende, sloegen niet minder dan vijfendertigduizend man, grotelijks verheugd zijnde over deze verschijning van God.
3 Makkabeeën 1:8
Als nu de Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.
3 Makkabeeën 1:10
En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.
3 Makkabeeën 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
3 Makkabeeën 2:23
Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.
3 Makkabeeën 4:2
Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.
3 Makkabeeën 5:4
Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen.
3 Makkabeeën 5:18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.
3 Makkabeeën 5:25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;
3 Makkabeeën 5:35
Doch wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld waren.
3 Makkabeeën 6:12
Gij heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.
3 Makkabeeën 6:21
Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd heidenen over uw on
3 Makkabeeën 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.
3 Makkabeeën 6:37
Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:
3 Makkabeeën 7:1
De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.
3 Makkabeeën 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.
3 Makkabeeën 7:6
En wij hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.
3 Makkabeeën 7:10
En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.
3 Makkabeeën 7:13
En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.
3 Makkabeeën 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst