Vindplaatsen van het woord oudsten in de apocriefe geschriften (28 verzen):

3 Ezra 6:5
En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.

3 Ezra 6:8
Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,

3 Ezra 6:11
Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?

3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.

3 Ezra 7:2
En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren de oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.

3 Ezra 9:13
Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.

Judith 6:12
En zij riepen al de oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.

Judith 6:17
En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 10:6
En zij gingen uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.

Judith 13:14
En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.

Baruch 1:4
En voor de oren van het ganse volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier Sud.

Susanna (Dan. 13) 1:5
En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

Susanna (Dan. 13) 1:8
En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.

Susanna (Dan. 13) 1:16
En aldaar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen.

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:19
En het geschiedde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden:

Susanna (Dan. 13) 1:24
En Susanna riep met luider stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar.

Susanna (Dan. 13) 1:27
Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.

Susanna (Dan. 13) 1:28
En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;

Susanna (Dan. 13) 1:34
En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd.

Susanna (Dan. 13) 1:36
En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;

Susanna (Dan. 13) 1:41
En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven.

Susanna (Dan. 13) 1:50
En het ganse volk keerde met haast weder; en de oudsten zeiden tot hem: Kom herwaarts, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, dewijl God u het rechterambt heeft gegeven.

Susanna (Dan. 13) 1:61
En stonden op tegen de twee oudsten, overmits Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd.

3 Makkabeeën 1:8
Als nu de Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.

3 Makkabeeën 1:20
En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weder tot dezelfde plicht des gebeds.

3 Makkabeeën 1:21
Het gemene volk nu was intussen, gelijk tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hovaardig gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden.