Vindplaatsen van het woord ogen in de apocriefe geschriften (86 verzen):
3 Ezra 4:19
Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.
4 Ezra 1:37
Ik betuig van de genade van het komende volk, wiens kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, welke mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven hetgeen ik gezegd heb.
4 Ezra 4:44
En ik antwoordde en zeide: Heb ik genade in uw ogen gevonden, en indien het mogelijk is, en ik er bekwaam toe ben,
4 Ezra 5:56
En ik zeide: Ik bid u Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie gij uw schepsel bezoekt.
4 Ezra 6:11
En ik antwoordde, en zeide: O heersende Here, indien ik genade gevonden heb in uw ogen,
4 Ezra 8:20
Het begin der woorden van Ezra, eer hij werd opgenomen. En ik zeide: Here, die de eeuwigheid bewoont, wiens ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht nederzien;
4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.
4 Ezra 10:55
Daarom dan, vrees niet, en uw hart zij niet verschrikt, maar ga heen en zie de heerlijkheid en grootte van het gebouw, voor zoveel het gezicht uwer ogen kan vatten om te zien.
4 Ezra 12:7
En ik zeide: O heersende Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, en indien ik gerechtvaardigd ben bij u voor vele anderen, en indien mijn gebed waarlijk voor uw aangezicht opgekomen is,
Tobias (Tobit) 2:11
En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais.
Tobias (Tobit) 3:15
En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.
Tobias (Tobit) 3:25
En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.
Tobias (Tobit) 5:28
En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.
Tobias (Tobit) 6:10
En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.
Tobias (Tobit) 7:7
En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.
Tobias (Tobit) 10:5
En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch waart het licht van mijn ogen.
Tobias (Tobit) 11:7
Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.
Tobias (Tobit) 11:8
Strijk gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.
Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.
Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.
Judith 7:14
En nu is er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld worden door dorst en groot verderf.
Judith 7:16
Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.
Judith 10:4
En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.
Judith 12:14
Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.
Boek der Wijsheid 3:2
Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling gerekend.
Boek der Wijsheid 9:9
Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.
Boek der Wijsheid 11:19
Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.
Boek der Wijsheid 12:14
Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.
Boek der Wijsheid 15:15
Omdat zij al de beelden der heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers hunner handen om iets aan te tasten, en welker voeten lui zijn om voort te gaan.
Jezus Sirach 3:24
Want het is u niet van node, verborgen dingen met ogen te zien.
Jezus Sirach 4:1
MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit.
Jezus Sirach 4:5
Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken.
Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.
Jezus Sirach 10:23
In het midden der broeders is degene geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd voor zijn ogen.
Jezus Sirach 11:22
Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.
Jezus Sirach 12:16
Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed.
Jezus Sirach 15:19
En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.
Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.
Jezus Sirach 17:7
Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen;
Jezus Sirach 17:11
Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:
Jezus Sirach 17:13
Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.
Jezus Sirach 17:15
Daarom zijn al hun werken voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds op hun wegen.
Jezus Sirach 18:18
Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.
Jezus Sirach 20:13
De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.
Jezus Sirach 20:29
Gaven en geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen af.
Jezus Sirach 23:4
O Here, Vader en God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd van uw knechten af.
Jezus Sirach 23:24
Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn vrees;
Jezus Sirach 23:25
En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder zijn den de zon.
Jezus Sirach 26:10
De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.
Jezus Sirach 27:24
Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.
Jezus Sirach 30:20
Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.
Jezus Sirach 31:6
Velen zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.
Jezus Sirach 34:17
De ogen des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.
Jezus Sirach 34:18
Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.
Jezus Sirach 36:4
Gelijk gij voor hun ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt moogt worden in hen.
Jezus Sirach 38:32
De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het vat.
Jezus Sirach 39:23
De werken van alle vlees zijn voor zijn aangezicht, en daar kan niets verborgen worden voor zijn ogen.
Jezus Sirach 43:4
Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.
Jezus Sirach 44:26
En heeft uit hem voortgebracht een man der barmhartigheid, die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees.
Jezus Sirach 45:14
Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel der heiligheid, een heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen der ogen, schone versieringen.
Jezus Sirach 51:35
Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb, en heb voor mijzelf veel rust gevonden.
Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.
Baruch 1:22
Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.
Baruch 2:17
Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.
Baruch 2:18
Maar de ziel, die grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, de prijs der heerlijkheid en der gerechtigheid geven.
Baruch 3:14
Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.
Baruch 6:16
Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten dergenen die daarin gaan.
Esther (apocr.) 13:19
En het ganse Israël riep uit alle kracht, want hun dood was voor hun ogen.
Esther (apocr.) 16:9
Veranderingen gebruikende, en de zaken die ons onder ogen komen, alleen onderscheidende, met billijke ontmoeting.
Susanna (Dan. 13) 1:9
En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten.
Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.
Gebed van Manasse 1:10
Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik uw toorn verwekt, en kwaad voor uw ogen gedaan heb; dewijl ik uw wil niet heb gedaan, en uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.
1 Makkabeeën 1:13
Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.
1 Makkabeeën 2:23
En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel des konings.
1 Makkabeeën 4:12
En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;
1 Makkabeeën 5:30
En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.
1 Makkabeeën 6:10
Waarom hij al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de bekommernis.
1 Makkabeeën 9:39
En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen.
2 Makkabeeën 3:36
En hij getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met zijn ogen gezien had.
2 Makkabeeën 8:16
En Judas Makkabeüs, vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;
2 Makkabeeën 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.
3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.
3 Makkabeeën 4:7
En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.
3 Makkabeeën 4:8
En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.
3 Makkabeeën 5:20
Maar hij werd om dezer woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits al zijn gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.
3 Makkabeeën 5:31
Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen, waarvan tevoren gesproken is.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst