Vindplaatsen van het woord obed in het oude testament (9 verzen):

Ruth 4:17
En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaļ, Davids vader.

Ruth 4:21
En Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed;

Ruth 4:22
En Obed gewon Isaļ; en Isaļ gewon David.

1 Kronieken 2:12
En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isaļ,

1 Kronieken 2:37
En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,

1 Kronieken 2:38
En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,

1 Kronieken 11:47
Eliėl en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

1 Kronieken 26:7
De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

2 Kronieken 23:1
Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeroham en Ismaėl, den zoon van Johanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maaseja, den zoon van Adaja, en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond.