Vindplaatsen van het woord oorzaak in de apocriefe geschriften (28 verzen):

4 Ezra 9:22
Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt.

4 Ezra 10:34
Spreek, mijn Here, tot mij, en verlaat mij niet, opdat ik niet zonder oorzaak sterve.

Judith 8:18
Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.

Boek der Wijsheid 14:27
Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.

Boek der Wijsheid 17:13
Maar hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der oorzaak, welke die pijn meebrengt.

Boek der Wijsheid 18:18
En de een herwaarts, de ander derwaarts geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf.

Jezus Sirach 4:5
Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken.

Jezus Sirach 15:11
Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.

Jezus Sirach 18:15
Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.

Jezus Sirach 20:10
Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft.

Jezus Sirach 20:23
Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak.

Jezus Sirach 29:8
Maar indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.

Susanna (Dan. 13) 1:14
En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkander, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkander naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkander hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij in het gemeen te zamen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:41
En die oorzaak waren van zijn verderf, liet hij in de kuil werpen, en zij werden terstond verslonden in zijn tegenwoordigheid.

1 Makkabeeën 6:12
Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien.

1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.

2 Makkabeeën 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 Makkabeeën 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.

2 Makkabeeën 4:28
Want hij was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,

2 Makkabeeën 4:35
Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood.

2 Makkabeeën 4:42
Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.

2 Makkabeeën 4:47
En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.

2 Makkabeeën 11:19
Daarom, indien gij behouden zult de goedgunstigheid tot onze zaken, zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.

2 Makkabeeën 12:40
En zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren.

2 Makkabeeën 13:4
Maar de Koning der koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, gelijk het gebruikelijk was in die plaats.

2 Makkabeeën 14:30
Doch Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam, vergaderd hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen.

3 Makkabeeën 1:13
En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien dat geschied is, zeide de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?

3 Makkabeeën 3:2
Als nu deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.