Vindplaatsen van het woord paden in het oude testament (42 verzen):

Richteren 5:6
In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.

Job 8:13
Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.

Job 13:27
Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

Job 19:8
Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

Job 24:13
Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.

Job 33:11
Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

Job 38:20
Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

Psalmen 8:9
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.

Psalmen 17:4
Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

Psalmen 25:4
Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.

Psalmen 25:10
Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.

Psalmen 119:15
Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.

Psalmen 119:101
Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

Spreuken 1:19
Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

Spreuken 2:8
Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.

Spreuken 2:13
Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;

Spreuken 2:15
Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

Spreuken 2:18
Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

Spreuken 2:19
Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

Spreuken 2:20
Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

Spreuken 3:6
Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

Spreuken 3:17
Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

Spreuken 7:25
Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

Spreuken 8:2
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

Spreuken 8:20
Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

Spreuken 9:15
Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

Spreuken 17:23
De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.

Spreuken 22:25
Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

Jesaja 2:3
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

Jesaja 3:12
De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.

Jesaja 33:8
De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens.

Jesaja 42:16
En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.

Jesaja 58:12
En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.

Jesaja 59:8
Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.

Jeremia 6:16
Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.

Jeremia 18:15
Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;

Klaagliederen 3:9
Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

Daniël 4:37
Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.

Daniël 5:23
Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.

Hosea 2:5
Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.

Joël 2:7
Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.

Micha 4:2
En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.