Vindplaatsen van het woord roepen in de apocriefe geschriften (12 verzen):

3 Ezra 1:50
En de God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.

3 Ezra 3:14
En uitgezonden hebbende liet hij roepen al de groten van PerziŽ en MediŽ, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten der landen, en de burgemeesters.

4 Ezra 13:12
En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen.

4 Ezra 15:8
Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen hetgeen zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot mij; en de zielen der rechtvaardigen roepen zonder ophouden.

Judith 10:1
EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God IsraŽls, en al deze woorden geŽindigd had.

Jezus Sirach 30:7
Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.

Baruch 4:20
Ik heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen in mijn dagen.

Baruch 6:31
Zij brullen, en roepen voor hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:7
En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zeide tot hen: Indien gijlieden mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult gij sterven.

1 MakkabeeŽn 4:10
En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.

3 MakkabeeŽn 1:23
Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.

3 MakkabeeŽn 6:1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus: