Vindplaatsen van het woord rekem in het oude testament (6 verzen):

Numeri 31:8
Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, den zoon van Beor.

Jozua 13:21
En alle steden des vlakken lands, en het ganse koninkrijk van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelke Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners des lands.

Jozua 18:27
En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

1 Kronieken 2:43
De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

1 Kronieken 2:44
Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.

1 Kronieken 7:16
En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.