Vindplaatsen van het woord richtte in het oude testament (36 verzen):

Genesis 35:20
En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.

Exodus 40:18
Want Mozes richtte den tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte deszelfs pilaren op.

Exodus 40:33
Hij richtte ook den voorhof op, rondom den tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort des voorhofs op. Alzo voleindigde Mozes het werk.

Jozua 4:9
Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesteren, die de ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag.

Jozua 4:20
En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.

Jozua 24:26
En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.

Richteren 3:10
En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte IsraŽl, en toog uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan Rischataim, den koning van SyriŽ, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.

Richteren 4:4
Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte te dier tijd IsraŽl.

Richteren 10:2
En hij richtte IsraŽl drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.

Richteren 10:3
En na hem stond op JaÔr, de Gileadiet; en hij richtte IsraŽl twee en twintig jaren.

Richteren 12:7
Jeftha nu richtte IsraŽl zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.

Richteren 12:8
En na hem richtte IsraŽl Ebzan, van Bethlehem.

Richteren 12:9
En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte IsraŽl zeven jaren.

Richteren 12:11
En na hem richtte IsraŽl Elon, de Zebuloniet, en hij richtte IsraŽl tien jaren.

Richteren 12:13
En na hem richtte IsraŽl Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.

Richteren 12:14
En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte IsraŽl acht jaren.

Richteren 15:20
En hij richtte IsraŽl, in de dagen der Filistijnen, twintig jaren.

1 SamuŽl 4:18
En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte IsraŽl veertig jaren.

1 SamuŽl 7:6
En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN; en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte SamuŽl de kinderen IsraŽls te Mizpa.

1 SamuŽl 7:15
SamuŽl nu richtte IsraŽl al de dagen zijns levens.

1 SamuŽl 7:16
En hij toog van jaar tot jaar, en ging rondom naar Beth-el, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte IsraŽl in al die plaatsen.

1 SamuŽl 7:17
Doch hij keerde weder naar Rama; want daar was zijn huis, en daar richtte hij IsraŽl; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.

1 Koningen 7:7
Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des gerichts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer.

1 Koningen 7:21
Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des tempels; en den rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en den linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz.

1 Koningen 16:32
En hij richtte voor Bašl een altaar op, in het huis van Bašl, hetwelk hij te Samaria gebouwd had.

2 Koningen 21:3
Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Bašl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van IsraŽl, gemaakt had, en boog zich neder voor het heir des hemels, en diende ze.

2 Kronieken 3:17
En hij richtte de pilaren op voor aan den tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker Boaz.

2 Kronieken 7:11
Alzo volbracht Salomo het huis des HEEREN, en het huis des konings; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis des HEEREN en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.

2 Kronieken 12:14
En hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte, om den HEERE te zoeken.

2 Kronieken 27:6
Alzo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.

2 Kronieken 33:3
Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte den Bašls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze;

2 Kronieken 33:16
En hij richtte het altaar des HEEREN toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God IsraŽls, dienen zouden.

Nehemia 3:14
De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.

Nehemia 3:15
En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe den muur des vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.

Psalmen 78:8
En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.

DaniŽl 3:1
De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.